Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding
- de producties van Yulius
- de productie van Jeugdhulp Rijnmond die alleen aan de voorzieningenrechter is verstrekt,
- de producties van Horizon
- de mondelinge behandeling op 24 oktober 2017
- de pleitnota van Yulius
- de pleitnota van Jeugdhulp Rijnmond
- de pleitnota van Parnassia
- de pleitnota van Horizon
2.De feiten
3.Het geschil
€ 68,00 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd;
4.De beoordeling
“Daarnaast gaan wij investeren in het realiseren van goede afschalingsmogelijkheden met onze onderaannemers, dit zal positieve effecten hebben op de wachttijdduur.”Een ander voorbeeld is de afbeelding die onderdeel is van de inschrijving bij subgunningscriterium 3, waarin meerdere cirkels zichtbaar zijn die verschillen qua omvang. Deze afbeelding wekt de indruk dat de omvang van de cirkels verband houdt met het belang van de in de betreffende cirkel genoemde aspecten. Opvallend is dat de cirkel met “onderaannemers” relatief groot is ten opzichte van de cirkel waar Yulius zelf in staat. Niet onbegrijpelijk is dat Jeugdhulp Rijnmond op basis van de inschrijving met deze afbeelding en passages waar het gaat over de inzet of toevoeging van onderaannemers er vanuit is gegaan dat Yulius voornemens was onderaannemers in te zetten in het kader van de opdracht. Ook wanneer het niet de bedoeling zou zijn geweest met de omvang van de cirkel met “onderaannemers” het belang van onderaannemers ten opzichte van Yulius aan te geven, kan Yulius niet in redelijkheid zeggen dat Jeugdhulp Rijnmond had moeten begrijpen dat, ondanks die afbeelding en de verschillende tekstfragmenten waarin wordt verwezen naar onderaannemers, gelet op het Uniform Europees Aanbestedingsdocument had moeten begrijpen dat Yulius niet voornemens was onderaannemers in te zetten in het kader van de opdracht. Aangenomen moet immers worden dat wanneer geen onderaannemers zouden worden ingezet, de term ‘onderaannemers’ in het geheel niet in de inschrijving aan de orde zou komen. De inschrijving wekt, anders dan Yulius meent, de indruk dat Yulius zal samenwerken met onderaannemers en daar zelfs een beroep op moet doen om voordeel te kunnen behalen in het kader van de uitvoering van de opdracht, zoals het voornoemde verkorten van de wachttijdduur. Ook een zin als “Bij een deel van de jeugdigen zal de hulpvraag van dien aard zijn dat wij denken dat inzet van een onderaannemer het meest passend zal zijn.” duidt erop dat zij zonder onderaannemers haar aanbod niet gestand kan doen. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat Jeugdhulp Rijnmond ten onrechte de beperkte uitwerking op het punt van onderaannemers in haar beoordeling heeft meegewogen. Dat bij de diverse aspecten van de subgunningscriteria expliciet was opgenomen dat een inschrijver diende te beschrijven hoe de aspecten bij onderaannemers geborgd was, is immers niet in geschil.
816,00