Eiser, eigenaar van een café, kreeg een boete van €1.200,- opgelegd wegens het niet handhaven van het rookverbod, nadat tijdens een inspectie tabaksrook werd geroken en de deur van de rookruimte openstond. De rechtbank bevestigde dat de overtreding had plaatsgevonden op basis van het rapport van bevindingen en vaste rechtspraak.
Eiser betwistte de bevindingen deels, maar kon niet aantonen dat de deur altijd gesloten was. De rechtbank stelde vast dat het rookverbod niet correct werd gehandhaafd, wat een overtreding van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tabakswet opleverde.
Vanwege het faillissement van eiser en een akkoord met de curator matigde de rechtbank de boete op grond van artikel 5:46, derde lid, Awb tot €122,27. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betrof.