De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming en de pleegmoeder om de achternaam van een minderjarige pleegdochter te wijzigen van haar oorspronkelijke geslachtsnaam naar de achternaam van haar pleegmoeder. De minister gaf hiervoor toestemming, waarna de moeder van de pleegdochter bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen dit besluit.
De rechtbank stelt vast dat de pleegdochter sinds 2005 onder toezicht staat en bij haar pleegmoeder woont, die haar minimaal drie jaar heeft verzorgd en opgevoed. De pleegdochter heeft zelf aangegeven de naamswijziging te willen, ondanks het bezwaar van haar ouders. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht toestemming heeft gegeven, omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en er geen aanwijzingen zijn dat de pleegdochter niet in staat is haar wil te bepalen.
De moeder voert aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beweerde loyaliteitsproblemen en het PAS-syndroom bij de pleegdochter, maar de rechtbank stelt dat deze bezwaren onvoldoende zijn onderbouwd. Bovendien is de wijziging niet onomkeerbaar; de pleegdochter kan haar oorspronkelijke naam weer aannemen bij meerderjarigheid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister, zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.