De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 39,1 gram cocaïne in een woning te Rotterdam en van diefstal met geweld op een openbare plaats in Rotterdam. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
Tijdens het onderzoek bleek dat verdachte slechts twee niet opeenvolgende nachten in de woning had geslapen en niet was waargenomen tijdens observaties. Hoewel cocaïne in de woning werd aangetroffen, kon niet worden vastgesteld dat verdachte het opzettelijk in bezit had. Ook de aanwezigheid van pasjes van verdachte in de woning was onvoldoende bewijs.
Ten aanzien van de diefstal met geweld stelde de rechtbank vast dat hoewel er een vechtpartij was geweest waarbij verdachte en medeverdachten de aangever hadden mishandeld, er onvoldoende bewijs was dat zij goederen van de aangever hadden weggenomen. De ring die als gestolen werd opgegeven, bleek borg te zijn achtergelaten voor drugsbetaling, wat door getuigen werd ondersteund.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de kosten van de verdediging. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.