ECLI:NL:RBROT:2018:1202
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing regularisatieverzoek na 1 mei 2010 en doorzending aan Luxemburgse autoriteiten
Eiser was in 2010 en 2011 werkzaam op een Rijnvaartschip en stond op de loonlijst van Luxemburgse vennootschappen die sociale premies afdroegen in Luxemburg. Hij verzocht de Sociale verzekeringsbank (verweerder) om te bepalen dat hij uitsluitend verzekerd was onder Luxemburgse wetgeving voor de jaren 2010 tot en met 2014, en dat hij geen Nederlandse premies verschuldigd was.
Verweerder wees het verzoek voor 2010 en 2011 af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing en voerde aan dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren, zoals de E106-verklaring en het U1-document, die nog niet waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat voor de periode na 1 mei 2010 verweerder het verzoek had moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten, omdat deze bevoegd zijn op grond van het Rijnvarendenverdrag en EU-verordeningen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor die periode. Voor de periode voor 1 mei 2010 was er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat het beroep ongegrond bleef.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. Het beroep tegen de afgifte van de A1-verklaring werd niet inhoudelijk behandeld omdat daarvoor een aparte procedure loopt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de periode na 1 mei 2010 en het besluit vernietigd; voor de periode daarvoor wordt het beroep ongegrond verklaard.