ECLI:NL:RBROT:2018:1203

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 januari 2018
Publicatiedatum
19 februari 2018
Zaaknummer
C/10/540411 / JE RK 17-3970
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:277 BWArt. 1:278 BWArt. 1:281 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel van het ouderlijk gezag over minderjarige na ontheffing

De moeder was sinds 13 december 2012 ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, waarna de voogdij aan een gecertificeerde instelling (GI) werd toegewezen. In december 2013 werd het kind teruggeplaatst bij de moeder, die sindsdien ondersteuning ontvangt van de GI en de ASVZ.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank het gezag van de moeder te herstellen, omdat zij met hulpverlening in staat is de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding duurzaam te dragen. De GI onderschreef dit verzoek en meldde dat een signaleringsplan is opgesteld met betrokkenheid van het netwerk van de moeder.

De rechtbank overwoog dat ondanks enkele zorgen, deze niet zodanig zijn dat herstel van het gezag niet verantwoord is. Het belang van het kind en de duurzame draagkracht van de moeder met ondersteuning zijn voldoende gewaarborgd. De voogdij van de GI eindigt automatisch na deze beschikking.

Daarom werd het verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag toegewezen en is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige is hersteld.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/540411 / JE RK 17-3970
datum uitspraak: 19 januari 2018

beschikking herstel van het ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Rotterdam,
betreffende
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2009 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de Raad bekend adres,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek met bijlagen van de Raad van 1 december 2017, ingekomen bij de griffie op 4 december 2017.
Op 19 januari 2018 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam 1] ,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam 2] .

De feiten

Bij beschikking van 13 december 2012 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] en is de GI belast met de voogdij over [naam minderjarige] .

Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te herstellen.

De beoordeling

De Raad heeft ter zitting zijn verzoek gehandhaafd. De Raad heeft onderzoek gedaan naar de opvoedsituatie van [naam minderjarige] . Hoewel uit het onderzoek wel zorgen naar voren kwamen, is de Raad van mening dat de moeder deze zorgen samen met de hulpverlening vanuit de ASVZ kan aanpakken. Aan de criteria voor het herstel van het ouderlijk gezag is voldaan en de Raad heeft vertrouwen dat de moeder de zorg voor [naam minderjarige] kan dragen.
De GI heeft het verzoek van de Raad onderschreven. De GI heeft hierop aangevuld dat inmiddels met de moeder een signaleringsplan is opgesteld waarbij het netwerk van de moeder is betrokken om eventuele probleemsituaties te ondervangen. Ook de GI heeft aangegeven er vertrouwen in te hebben dat de moeder, samen met de ondersteuning vanuit de ASVZ, de verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] kan dragen.
De moeder heeft eveneens te kennen gegeven in te stemmen met het verzoek van de Raad. [naam minderjarige] is sinds 2013 teruggeplaatst en het gaat goed met hem. De moeder heeft voorts aangegeven veel steun te ervaren van de ASVZ en de voormalig pleegvader van [naam minderjarige] , met wie zij altijd contact op kan nemen en die zij altijd om hulp kan vragen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:277, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 1:278 BW Pro, het gezag van een ouder, wiens gezag is beëindigd, herstellen indien:
a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en
b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige , bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat is te dragen.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.
De moeder is op 13 december 2012 ontheven van het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] . Door een wijziging in de situatie van het pleeggezin van [naam minderjarige] , waarover de rechtbank geen duidelijkheid heeft kunnen krijgen, is [naam minderjarige] in december 2013 weer teruggeplaatst bij de moeder. De moeder heeft sindsdien ondersteuning vanuit de GI en de ASVZ gekregen. Met deze ondersteuning is de moeder in staat gebleken de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] te dragen. Er zijn weliswaar zorgen, zoals uit het onderzoek van de Raad ook is gebleken, maar deze zorgen zijn niet van dien aard, dat de moeder thans niet in staat moet worden geacht met de ondersteuning vanuit de ASVZ en door de voormalig pleegvader de zorg voor [naam minderjarige] duurzaam voort te zetten. Sinds [naam minderjarige] weer bij zijn moeder woont, gaat het goed met hem en hij wil graag bij zijn moeder blijven wonen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande het herstel in het gezag ook in het belang van [naam minderjarige] is.
De rechtbank is daarom van oordeel dat aan de criteria van artikel 1:277, eerste lid, onder a. en b. BW is voldaan en zal het verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag van de moeder toewijzen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de voogdij van de GI over [naam minderjarige] ingevolge artikel 1:281, eerste lid, onder b, BW in verbinding met artikel 1:281, tweede lid, BW van rechtswege eindigt daags nadat deze beschikking is verstrekt of verzonden.

De beslissing

De rechtbank:
herstelt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum moeder] op [geboorteplaats moeder] , [geboorteland moeder] , over [naam minderjarige] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.N. Melkert, voorzitter tevens kinderrechter, en
mrs. M. van Kuilenburg en A.M.I. van der Does, kinderrechters, in tegenwoordigheid van
V.E. Scholtens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.