ECLI:NL:RBROT:2018:2531

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 maart 2018
Publicatiedatum
28 maart 2018
Zaaknummer
C/10/525900 / HA ZA 17-415
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 onder b WvpsArt. 6:123 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling van toekomend deel van buitenlands pensioen na echtscheiding

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen een vrouw en een man over de verdeling van pensioentermijnen opgebouwd bij een buitenlands pensioenfonds tijdens hun huwelijk. De echtscheiding werd vastgesteld op 1 maart 2001, waarna de vrouw aanspraak maakte op het deel van de pensioenaanspraken die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd.

De vrouw erkende dat de man in totaal over 223 maanden pensioenaanspraken had opgebouwd, waarvan 148 maanden binnen de huwelijkse periode vielen. Op basis hiervan en de gehanteerde berekeningen werd vastgesteld dat de vrouw recht heeft op 33,18% van de pensioentermijnen.

De rechtbank veroordeelde de man tot betaling van een bedrag van €40.317,84 voor reeds verstreken pensioentermijnen en tot betaling van 33,18% van de na januari 2018 verstreken en toekomstige pensioentermijnen in Zwitserse Franken. De wettelijke rente over reeds verstreken termijnen werd afgewezen wegens procesorde, maar over toekomstige termijnen wordt rente bij verzuim toegewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man is veroordeeld tot betaling van het haar toekomende deel van de pensioentermijnen opgebouwd bij het buitenlandse pensioenfonds.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/525900 / HA ZA 17-415
Vonnis van 28 maart 2018
in de zaak van
[eiseres],
wonende op een geheim adres,
eiseres,
advocaat mr. M.G. Hoogerwerf,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M.W. Huijzer.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 27 september 2017
  • de akten van 22 november 2017 en 20 december 2017 van de man
  • de antwoordakte van 20 december 2017 tevens houdende wijziging van eis van de vrouw.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij bovengenoemd tussenvonnis is de man in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het percentage van het (maandelijks) bedrag van de pensioenuitkering dat betrekking heeft op de na-huwelijkse periode en over de eventuele fiscale consequenties.
De vrouw heeft kennisgenomen van beide akten van de man. De vrouw heeft bij akte gereageerd.
2.2.
De man stelt dat partijen twisten over de vraag wanneer de huwelijkse periode tot een einde is gekomen. Echter in voornoemd tussenvonnis is reeds onder punt 4.7. overwogen dat gelet op artikel 1 lid 1 onder Pro b Wvps als tijdstip van de echtscheiding 1 maart 2001 geldt, nu op voornoemde datum de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Hierna zal dus van voornoemde einddatum worden uitgegaan.
2.3.
De vrouw erkent dat door de man in totaal over 223 maanden pensioenaanspraken zijn opgebouwd, te weten vanaf november 1988 tot en met mei 2007. Uitgaande van de huwelijkse periode die eindigt op 1 maart 2001, erkent de vrouw dat haar vorderingsrecht ziet op 148 maanden waarover door de man pensioenaanspraken zijn opgebouwd.
2.4.
De vrouw onderschrijft voorts de door de man gemaakte berekening van het relevante percentage van de pensioenaanspraken dat aan de vrouw toekomt. Dit percentage luidt dan als volgt: 148 / (223/100) (in plaats van 223/148, rb.) = 66,36% gedeeld door 2 = 33,18 %.
2.5.
De vrouw stemt voorts in met het hanteren van een gemiddelde wisselkoers per jaar over de periode waarover de pensioentermijnen reeds verstreken zijn en volgt de berekening van de man over de in de jaren 2007 tot en met 2017 uitgekeerde bedragen zoals opgenomen in punt 5 van de akte van 22 november 2017 voor zover de man daarin is uitgegaan van een huwelijkse periode van 148 maanden. Dit komt overeen met een totaalbedrag van € 40.317,84. Nu de man bij akte van 20 december 2017 heeft vermeld dat de fiscale consequenties buiten beschouwing kunnen worden gelaten, omdat de man al jarenlang niet meer belastingplichtig is in Nederland, hoeft geen rekening te worden gehouden met de fiscale consequenties. Ingevolge overweging 4.10. van voornoemd tussenvonnis heeft de vrouw recht op betaling ineens jegens de man van het haar toekomend deel van de reeds verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen. Het bedrag van € 40.317,84 ligt derhalve voor toewijzing gereed.
2.6.
De vrouw heeft het deel van haar vordering dat ziet op de reeds verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen bij antwoordakte van 20 december 2017 in die zin gewijzigd dat zij over het onder 2.5. genoemde bedrag wettelijke rente vordert vanaf bepaalde data over haar vordering tot en met 2017. Deze eiswijziging zal ambtshalve buiten beschouwing worden gelaten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Immers, de man heeft hier niet op kunnen reageren. Daarenboven dient de rechtbank te waken over onredelijke vertraging van de procedure.
2.7.
Ook heeft de vrouw recht op uitbetaling van haar percentage van de nog niet verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen. De vrouw heeft bij dagvaarding gevorderd de man te veroordelen om het aan haar toekomend bedrag ter zake de niet verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen voor het einde van iedere maand waarop de pensioenuitkering van de man betrekking heeft aan de vrouw te betalen op straffe van een dwangsom van € 3.000,= voor iedere maand dat de man daarmee in gebreke blijft.
Kennelijk handelt het hier dan om de verevening van de na 1 januari 2018 tot de datum van de uitspraak verstreken pensioentermijnen en om de na de datum van de uitspraak te verstrijken pensioentermijnen van het door de man bij PAX Sammelstiftung opgebouwde ouderdomspensioen. Gelet op het vorenstaande ligt de vordering van de vrouw gereed. De omvang van de aan de vrouw toekomende bedrag van de na 1 januari 2018 tot aan de datum van uitspraak verstreken en de nog te verstrijken (maandelijkse) pensioentermijnen worden in de beslissing aangeduid met het bedrag van 33,18% van de na januari 2018 tot de datum van de uitspraak verstreken en nog te verstrijken (maandelijkse) pensioentermijnen.
De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, nu een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.
2.8.
De vrouw heeft bij akte van 20 december 2017 (voor het eerst) gevorderd het deel van haar vordering dat ziet op de na 1 januari 2018 verstreken en de nog niet verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen in Zwitserse Franken per maand te betalen en vordert daarover kennelijk wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Nu de vrouw als schuldeiser op grond van artikel 6:123 BW Pro, ingeval in Nederland een rechtsvordering wordt ingesteld ter verkrijging van een geldsom uitgedrukt in buitenlands geld, veroordeling kan vorderen tot betaling te zijner keuze in dat buitenlands geld of in Nederlands geld, zal hierna worden bepaald dat bovengenoemd deel van de vordering in Zwitserse Franken dient te worden betaald.
De vordering van de wettelijke rente over de na 1 januari 2018 verstreken pensioentermijnen tot de datum van de uitspraak zal ambtshalve buiten beschouwing worden gelaten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Immers, de man heeft hier niet op kunnen reageren en de rechtbank dient te waken over onredelijke vertraging van de procedure.
De man zal echter wel worden veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de nog te verstrijken pensioentermijnen over de tijd dat hij met de voldoening daarvan in verzuim zal zijn, nu deze wettelijke rente schadevergoeding zal vormen wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. De vordering van de vrouw zal terstond opeisbaar zijn als de man niet heeft betaald voor het einde van de maand waarin hij zijn pensioentermijn ontvangt. Het verzuim zal op dat moment intreden zonder ingebrekestelling.
2.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 40.317,84 (veertig duizenddriehonderdzeventien euro en vierentachtig eurocent),
3.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van 33,18% van de na januari 2018 tot de datum van de uitspraak verstreken (maandelijkse) pensioentermijnen van het door de man bij PAX Sammelstiftung opgebouwde ouderdomspensioen te betalen in Zwitserse Franken,
3.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van 33,18% van de na datum uitspraak nog te verstrijken (maandelijkse) pensioentermijnen van het door de man bij PAX Sammelstiftung opgebouwde ouderdomspensioen voor het einde van iedere maand waarin de man de pensioentermijn ontvangt te betalen in Zwitserse Franken, vermeerderd met de wettelijke rente over de tijd dat de man met voldoening daarvan in verzuim is,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.
1287 / 2294