ECLI:NL:RBROT:2018:3052
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing declaratie dienstreizen hondengeleider politie wegens geen dienstreis
Eiser, werkzaam als hondengeleider bij de politie met een surveillancehond, diende een declaratie in voor dienstreizen binnen Nederland over februari 2017. Verweerder wees deze declaratie af omdat de reisbewegingen volgens hem niet als dienstreizen kwalificeren en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Eiser voerde aan dat zijn reizen als dienstreizen moeten worden gezien op grond van artikel 8 van Pro het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie (Brvvp), waarbij een grammaticale uitleg van het artikel vereist zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de reizen inherent zijn aan de kerntaak van eiser, namelijk het surveilleren en ondersteunen van de noodhulpsurveillance, en dat deze reizen daarom geen dienstreizen zijn volgens de definitie in het Brvvp.
De rechtbank verwees naar een vergelijkbare eerdere uitspraak over bereden politie, waarbij reizen die tot de kerntaak behoren niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook het vertrouwensbeginsel kon niet worden ingeroepen omdat eerdere uitbetalingen niet gemotiveerd waren en declaraties onder een bepaald bedrag automatisch werden toegekend.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af omdat de reisbewegingen deel uitmaken van de kerntaak en geen dienstreizen zijn.