3.1.Eiser heeft in zijn verzoek verder aangevoerd dat het voor de hand ligt dat verweerder op grond van het vijfde lid van artikel 2.20 door middel van een maatwerkvoorschrift het gebied aanwijst waar de bewoners op het buitenterrein mogen verblijven (mits niet dichter bij de woning van eiser). Anders zal immers niet voldaan kunnen worden aan de criteria van een goede ruimtelijke ordening. In het door verweerder bij de vaststelling van de omgevingsvergunning gehanteerde akoestisch onderzoek van de DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) is gesteld dat de bewoners maximaal vier uur gedurende de dag- en twee uur gedurende de avondperiode op het buitenterrein aanwezig zijn. Indien de bewoners in de dag- en/of avondperiode langer op het buitenterrein verblijven, is dat in strijd met de door verweerder aangevoerde uitgangspunten en zal niet voldaan worden aan de criteria voor een goede ruimtelijke ordening. Hierom verzoekt eiser verweerder om op grond van het vijfde lid van artikel 2.20 door middel van een maatwerkvoorschrift te bepalen dat de bewoners maximaal vier uur gedurende de dag- en twee uur gedurende de avondperiode op het buitenterrein mogen verblijven.
4. Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek van eiser afgewezen omdat de grenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet worden overschreden.
Verweerder heeft in dit verband gesteld dat, zoals in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a aangegeven, het eerste lid van artikel 2.17 niet van toepassing is op stemgeluid. Aangezien stemgeluid in deze inrichting de enige relevante geluidbron is, heeft het verlagen van de norm van het Activiteitenbesluit door middel van het stellen van een maatwerkvoorschrift geen zin. Voorts bestaat er geen norm voor stemgeluid in het Activiteitenbesluit zodat het niet mogelijk is om gedragsmaatregelen en technische voorzieningen op te leggen voor het reguleren van stemgeluid.
5. Bij het bestreden besluit stelt verweerder dat in het licht van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit dient te worden bezien of het betreffende terrein van de inrichting als een binnen- of buitenterrein dient te worden aangemerkt. Verweerder wijst er in dit verband op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met name de situering van het terrein aan de straat of andere openbare ruimte van belang acht. Indien hiervan sprake is, mag worden aangenomen dat het van het terras/tuin afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Zie onder meer de uitspraken
Daarnaast kan het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de mate van beslotenheid van het buitenterrein naar de mening van verweerder als indicatie dienen of er al dan niet sprake is van een binnenterrein. Indien een terrein is omsloten door bebouwing zal het omgevingsgeluid in beginsel veel lager zijn, zodat het stemgeluid van bijvoorbeeld het terras eerder zal leiden tot overlast en de beoordeling van dergelijke situaties in overeenstemming met artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit dient te geschieden.
Verweerder is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat er in het onderhavige geval sprake is van zowel een binnen- als een buitenterrein. De (moes)tuin aan de achterzijde van het gebouw grenst voor een groot gedeelte aan een openbare weg, namelijk aan het [locatie 2] . Dit is een fietspad tussen [plaatsnamen] waarop bromfietsen ook zijn toegestaan. Dit terrein is niet omsloten, zodat kan worden gesteld dat het eventuele geluid afkomstig van dit terrein zal opgaan in het omgevingsgeluid. Het gedeelte van de tuin nabij het gebouw en het terras aan de zijkant tussen [2 woningen] grenst niet aan de straat of andere openbare ruimte, zodat de conclusie kan worden getrokken dat hier sprake is van een binnenterrein.
Het stemgeluid afkomstig van dit binnenterrein dient te voldoen aan de geluidsnormen zoals gesteld in tabel 2.17a van artikel 2.17, eerste lid van het Activiteitenbesluit. Verweerder merkt in dit verband op dat in het kader van de totstandkoming van de omgevingsvergunning voor het desbetreffend perceel reeds een akoestisch onderzoek door de DCMR is uitgevoerd naar de geluidbelasting van het menselijk stemgebruik (“ [rapport] ” van 27 mei 2015). Dit onderzoek is door verweerder aan de bezwaarprocedure toegevoegd en is aan eiser toegezonden.
Uit dit onderzoek blijkt dat er geen normen worden overschreden. Uit de berekening blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van het stemgeluid van de bewoners op 10 meter van de grens van het bedrijf ten hoogste 36 dB(A) bedraagt in de dag- en avondperiode, terwijl de toegestane norm 50 dB(A) respectievelijk 45 dB(A) is. Het maximaal geluidniveau ten gevolge van het stemgeluid van de bewoners op 10 meter van de grens van het bedrijf bedraagt maximaal 58 dB(A) in de dag- en avondperiode, terwijl de toegestane norm 70 dB(A) respectievelijk 65 dB(A) is. In bijlage 2 van het onderzoek blijkt zelfs dat, bezien vanuit de percelen [2 woningen] , uitgekomen wordt op de volgende normen: voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 20 dB(A) in de dag- en avondperiode en voor het maximaal geluidniveau maximaal 43 dB(A) in de dag- en avondperiode.
Verweerder is, gelet op het vorenstaande, tot de conclusie gekomen dat de geluidnormen niet worden overschreden zodat het verzoek tot het stellen van maatwerkvoorschriften (nog steeds) terecht is afgewezen.
6. Eiser meent dat het terrein in het plan geheel moet worden aangemerkt als een binnenterrein, zodat op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden.