Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende een asielaanvraag in met als motief dat zijn vader zich bij IS had aangesloten en hij daardoor gevaar liep. Verweerder achtte dit ongeloofwaardig en wees de aanvraag af. In beroep voerde eiser een nieuw asielmotief aan, namelijk dat zijn vader als infiltrant voor de Koerdische overheid werkte en inmiddels teruggekeerd is naar Irak. De rechtbank overweegt dat volgens de jurisprudentie nieuwe asielmotieven in de beroepsfase niet worden meegenomen en dat eiser een nieuwe aanvraag moet indienen.
De rechtbank benadrukt dat eiser een actieve houding had moeten aannemen om zijn nieuwe asielmotief te onderbouwen, vooral gezien het tijdsverloop van ruim vijf maanden na het vernemen van het nieuws over zijn vader. Dit heeft eiser nagelaten, waardoor het beroep faalt.
Daarnaast stelt eiser dat zijn seculiere levenshouding een veiligheidsrisico vormt bij terugkeer naar Irak. De rechtbank oordeelt dat verweerder dit terecht niet als vluchtelingenrisico heeft beoordeeld, mede omdat eiser geen individuele onderbouwing gaf en geen eerdere problemen heeft ervaren.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser tegen deze uitspraak hoger beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.