Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van verweerder en stelde verweerder op 15 januari 2016 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing binnen de wettelijke termijn. Verweerder informeerde pas na deze ingebrekestelling dat het bezwaar werd behandeld door een externe commissie, waardoor de beslistermijn met zes weken werd opgeschort.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar en dat de ingebrekestelling niet is gedaan met het doel om onrechtmatig geld te incasseren. Het niet verschijnen van eiser op de hoorzitting wordt niet als kwade trouw beschouwd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de dwangsom vast op €1.260,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Het vonnis vervangt het bestreden besluit en kan binnen zes weken in hoger beroep worden aangevochten.