Eisers, leden van het managementteam van een producent van laboratoriumapparatuur, werden geschorst wegens vermeend verwijtbaar handelen binnen een groot project met aanzienlijke budgetoverschrijdingen en schendingen van interne regels. De werkgever stelde dat sprake was van bewust en structureel handelen in strijd met interne procedures, waaronder het aangaan van financiële verplichtingen zonder goedkeuring en het splitsen van uitgaven om bevoegdheden te omzeilen.
De rechtbank beoordeelde de vordering tot wedertewerkstelling aan de hand van de maatstaf van goed werkgeverschap en de redelijkheid van de opgelegde schorsing. De werkgever slaagde er niet in voldoende aannemelijk te maken dat de verwijten zwaarwegend genoeg waren om de schorsing te rechtvaardigen. De vermeende overtredingen bleken deels niet onderbouwd, en de praktijk binnen de organisatie toonde aan dat procedures niet altijd strikt werden gevolgd zonder consequenties.
De rechtbank concludeerde dat de schorsing onvoldoende was gemotiveerd en dat eisers recht hadden op onmiddellijke toegang tot hun werkzaamheden en relevante systemen. Een dwangsom werd opgelegd om naleving af te dwingen. De vordering werd toegewezen, het meer of anders gevorderde werd afgewezen, en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.