ECLI:NL:RBROT:2018:3900

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 mei 2018
Publicatiedatum
17 mei 2018
Zaaknummer
ROT 18/1363
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid in bestuursrechtelijk beroep tegen besluit uit 2006

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2006 en tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat zij kennelijk onbevoegd is ten aanzien van het besluit van 5 december 2006, omdat hierover reeds bij uitspraak van 31 juli 2007 is beslist, welke onherroepelijk is geworden doordat geen hoger beroep is ingesteld.

Voor zover het beroep ziet op het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar, wordt dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder reeds bij besluit van 5 december 2006 op het bezwaar heeft beslist. Tevens wordt het beroep als verzoek tot herziening van de uitspraak van 31 juli 2007 op grond van artikel 8:119 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijnoverschrijding.

De rechtbank verwijst hierbij naar de jurisprudentie van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:357). Er bestaat geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J. de Gans op 23 mei 2018.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het besluit van 5 december 2006.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/1363
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam] , te [Plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A.F.M. den Hollander,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: mr. L.J.M.M. de Poel.

Procesverloop

Eiser heeft op 5 maart 2018 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder te dwingen de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2006 (WAO/06/202/WILD) naar de letter te volgen in een nieuw besluit. In deze uitspraak is verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het in de uitspraak bepaalde.
2. Voor zover het beroep van eiser dient te worden opgevat als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar moet het beroep kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verweerder naar aanleiding van voornoemde uitspraak reeds bij besluit van 5 december 2006 opnieuw op het bezwaar heeft beslist.
3. Voor zover het beroep van eiser dient te worden opgevat als een beroep tegen het besluit van 5 december 2006, verklaart de rechtbank zich kennelijk onbevoegd, omdat de rechtbank reeds bij uitspraak van 31 juli 2007 (zaaknummer WAO 06/4830-VERW) op het beroep van eiser tegen het besluit van 5 december 2006 heeft beslist. Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Deze uitspraak is daarmee onherroepelijk geworden.
4. Voor zover het beroep van eiser dient te worden opgevat als een verzoek om herziening van de uitspraak van 31 juli 2007 op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, omdat het verzoek onredelijk laat is ingediend. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:357).
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van
5 december 2006;
- verklaart het verzoek om herziening van de uitspraak van 31 juli 2007 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.