Eiseres had bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om haar uitkering op grond van de Participatiewet in te trekken. Verweerder stelde dat de beslistermijn op bezwaar met zes weken mocht worden verlengd omdat een adviescommissie over het bezwaar zou adviseren. Eiseres stelde dat zij hierover niet tijdig was geïnformeerd, zoals vereist volgens artikel 7:13, tweede lid, van de Awb.
De rechtbank stelde vast dat publicatie van het Aanwijzingsbesluit in het Gemeenteblad en een ontvangstbevestiging van verweerder onvoldoende duidelijkheid boden over het feit dat een adviescommissie zou adviseren. De mededeling was te vaag om als formele kennisgeving te gelden. Hierdoor was de beslistermijn niet twaalf maar zes weken, en was de ingebrekestelling van eiseres terecht.
Omdat verweerder pas na het verstrijken van de beslistermijn op bezwaar had beslist, was het dwangsombesluit onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het dwangsombesluit gegrond, vernietigde het dwangsombesluit, stelde een dwangsom vast van €1.260,- en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van het dwangsombesluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang daarvoor was komen te vervallen. De uitspraak werd gedaan door rechter J.H. de Wildt op 13 juni 2018.