Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officieren van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde;
- veroordeling van [naam verdachte 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.
4.Waardering van het bewijs
[naam verdachte 2] heeft de helft van de door hem in verband met deze transacties van de banken ontvangen provisies (‘fees’) doorbetaald aan [naam verdachte 1] en overgemaakt naar een daartoe door [naam verdachte 1] geopende inzake-rekening (“inzake [naam bankrekening] ”). Aldus heeft [naam verdachte 2] in de onder 1 tenlastegelegde periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012 een geldbedrag van in totaal € 10.419.866,- aan [naam verdachte 1] (door)betaald.
werkzaamheden heeft verricht, maar slechts een tip aan [naam verdachte 2] heeft gegeven waarvoor hij neven
inkomstenontving, wordt verworpen aangezien dit een semantische discussie betreft, die aan de kern van het verwijt voorbij gaat. Immers, ieder redelijk denkend werknemer zal zich duidelijk realiseren dat als hij bij het sluiten van derivaatcontracten ten behoeve van zijn werkgever tevens een eigen financieel belang heeft, er sprake is van belangenverstrengeling die moet worden gemeld aan de werkgever. Dit klemt te meer wanneer, zoals in dit geval, het bedrag aan doorbetalingen dat [naam verdachte 1] in totaal (bruto) van [naam verdachte 2] ontving meer dan het tienvoudige bedroeg van het salaris dat hij bij Vestia in dezelfde periode ontving. [naam verdachte 1] heeft de door hem van [naam verdachte 2] ontvangen geldbedragen - die als steekpenningen worden aangemerkt - in strijd met de goede trouw tegenover zijn werkgever Vestia verzwegen, terwijl hij naar objectieve maatstaven tot spreken verplicht was.
"We don't sign this one, because we don't use a broker at all. Maybe you make a mistake and this is for another party?". Wanneer [naam verdachte 1] haar de volgende dag laat weten dat hij het heeft geregeld en dat zij het oude contract kan verscheuren, schrijft zij hem dat zij dat contract niet eens heeft uitgedraaid, zo oneens was zij het daarmee.
“waarbij voor (een) derde(n) niet zichtbaar was/is dat hij, verdachte, de houder van deze inzake rekening was/is”, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is het volgende redengevend.
D-301 en D-302 en D-303 en D-304) en
datwas opgenomen in
5.Strafbaarheid feiten
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
Algemene overweging
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Bijlagen
10.Beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden;