Op 4 december 2016 werden bij de doorlaatpost van Stena Line in Hoek van Holland in de trailers van de verdachte en een medeverdachte achttien personen van Afghaanse afkomst aangetroffen. Verdachte werd aangehouden op verdenking van mensensmokkel. Tijdens de terechtzitting verklaarden verdachte en medeverdachte geen wetenschap te hebben gehad van de vreemdelingen in hun trailers en geen idee te hebben hoe deze erin waren gekomen.
De officier van justitie stelde dat bewezen kon worden dat verdachte en medeverdachte opzettelijk behulpzaam waren bij de doorreis van de vreemdelingen, onderbouwd met getuigenverklaringen van twee van de aangetroffen vreemdelingen. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaringen onvoldoende details bevatten en niet betrouwbaar genoeg waren om wetenschap van verdachte te bewijzen.
De verklaringen van verdachte en medeverdachte over hun route en pauzes waren consistent en ondersteund door objectieve bevindingen van de Koninklijke Marechaussee. Er waren geen objectieve feiten die duidden op wetenschap van verdachte. Door het ontbreken van overtuigend bewijs werd verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde mensensmokkel.
De rechtbank concludeerde dat het opzet van verdachte niet wettig en overtuigend kon worden bewezen, waardoor vrijspraak de enige juiste beslissing was.