Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer A. Delen, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: SHV);
- mevrouw S. van Gorkum, eveneens werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 31 augustus 2018 een verzoek ingediend ex artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van haar woonruimte uit te voeren. Eerder was op 17 februari 2017 een soortgelijk verzoek toegewezen, maar in die periode is geen minnelijk traject gestart en heeft verzoekster geen beschermingsbewind aangevraagd.
Tijdens de zitting verklaarde verzoekster dat zij inmiddels beschermingsbewind heeft aangevraagd en afspraken met schuldhulpverlening wil nakomen, maar zij kon hiervoor geen bewijsstukken overleggen en had de afspraken nog niet nagekomen. Verweerster stelde dat de huurachterstand is opgelopen tot €7.545,18 en dat eerdere betalingsregelingen niet zijn nagekomen, waardoor het vertrouwen in een minnelijk traject ontbreekt.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de dreigende ontruiming, maar stelt hoge eisen aan het verzoek vanwege de voorgeschiedenis. Verzoekster heeft onvoldoende blijk gegeven van daadwerkelijke intentie en inzet om haar schuldenproblematiek op te lossen. Gezien de onvoldoende nakoming van afspraken en het ontbreken van bewijs van beschermingsbewind, weegt het belang van verweerster zwaarder.
Daarom wordt het verzoek om een moratorium afgewezen. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject niet op korte termijn zal worden afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
Uitkomst: Het verzoek om een moratorium wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.