ECLI:NL:RBROT:2018:8539

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 oktober 2018
Publicatiedatum
16 oktober 2018
Zaaknummer
AWB-18_4710
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 11 PwArt. 16 PwArt. 17 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering bijstandsuitkering wegens onvoldoende financiële informatie

Verzoekster ontving tot 17 april 2018 bijstand, die werd ingetrokken na het niet reageren op informatieverzoeken. Bij een nieuwe aanvraag weigerde de gemeente Lansingerland bijstand omdat verzoekster niet alle gevraagde bankafschriften en financiële gegevens had ingeleverd, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Verzoekster stelde dat zij alle beschikbare gegevens had verstrekt en dat er dringende redenen waren om toch bijstand te verlenen, waaronder haar situatie als alleenstaande moeder onder politiebescherming en het risico op huisuitzetting.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de gevraagde bankafschriften essentieel zijn voor het vaststellen van de financiële situatie en dat verzoekster onvoldoende duidelijkheid had verschaft. De uitzonderingsbepaling voor dringende redenen in artikel 16 van Pro de Participatiewet is niet van toepassing in deze situatie.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4
zaaknummer: ROT 18/4710
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster],

gemachtigde: mr. L.A.M. van der Geld,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland, verweerder,
gemachtigde: mr. H.J. Kooistra.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2018 (het bestreden besluit), dat is verzonden op 26 juli 2018, heeft verweerder verzoeksters aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Verzoekster en haar gemachtigde zijn met berichtgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoekster ontving tot en met 17 april 2018 een bijstandsuitkering. Bij besluit van 20 april 2018 heeft verweerder de uitkering ingetrokken nadat verzoekster niet had gereageerd op verzoeken om informatie. Op 9 mei 2018 heeft verzoekster zich opnieuw bij verweerder gemeld voor een bijstandsuitkering. Bij brief van 16 juli 2018 heeft verweerder verzoekster verzocht om onder meer bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen vanaf 18 april 2018 van haar en haar minderjarige kind in te leveren.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat verzoekster de afschriften van haar bankrekening met [nummer 1], van de bankrekening van haar minderjarige dochter met [nummer 2], van haar Paypal rekening en van haar prepaid creditcard (DBcardservice) vanaf 18 april 2018 niet heeft ingeleverd.
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat de gevraagde inlichtingen geen informatie is waarvan haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die van invloed is op het recht op bijstand. Zij heeft alle gevraagde gegevens waarover zij kon beschikken ingeleverd. Volgens verzoekster is sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de Pw. Verzoekster is een alleenstaande moeder met een kind dat de laatste jaren genoeg problemen heeft opgeleverd. Verzoekster staat onder politiebescherming met geheimhouding van haar adres en telefoonnummer en loopt nu het risico om vanwege huurachterstand haar woning kwijt te raken.
4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
5. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
6. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3656) rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de aanvrager duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht geconcludeerd dat verzoekster onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over haar financiële situatie voorafgaande aan de aanvraag. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met verweerder vastgesteld dat de gevraagde bankafschriften van [nummer 1 en 2] niet zijn ingeleverd. Verzoekster heeft van de PayPal rekening afschriften over de periode van 3 juli 2015 tot en met 18 april 2018 ingeleverd en aangegeven dat zij niet verder terug kon zoeken dan 3 juli 2015. Dat zij geen afschriften over de periode vanaf 18 april 2018 van de Paypal rekening kon overleggen, is niet gebleken. Verzoekster heeft gesteld dat DBCardservice niet meer bestaat, maar deze stelling heeft zij niet met stukken onderbouwd. Het standpunt van verzoekster dat de gevraagde inlichtingen geen informatie is waarvan haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die van invloed is op het recht op bijstand, volgt de voorzieningenrechter niet. Het gaat hier om bankafschriften en de gegevens daarop zijn van belang om inzicht te krijgen in de financiële situatie van verzoekster.
8. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw kan bijstand worden verleend aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. In dit geval is verzoekster niet uitgesloten van deze kring van rechthebbenden. Aan verzoekster is immers bijstand geweigerd omdat zij in de hier te beoordelen periode onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie. Op een dergelijke situatie ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16, eerste lid, van de Pw niet, zodat het beroep op deze bepaling niet kan slagen (zie ook de uitspraak van de CRvB van 20 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3753).
9. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 12 oktober 2018.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.