ECLI:NL:RBROT:2018:9704
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Sluiting horeca-inrichting wegens vermeende zedenincidenten onvoldoende onderbouwd
Eiseres exploiteert een nachthorecazaak die na een spoedsluiting wegens vermeende zedenincidenten in de omgeving voor drie maanden werd gesloten door de burgemeester van Rotterdam. De politie rapporteerde meerdere zedenincidenten waarbij slachtoffers de horecagelegenheid hadden bezocht, maar de incidenten vonden niet in de inrichting zelf plaats en er was geen bewijs voor betrokkenheid van het personeel.
De burgemeester beriep zich op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) om de sluiting te handhaven, stellende dat de incidenten zich 'vanuit' de inrichting hadden voorgedaan. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat de rapportages onvoldoende concreet waren en dat zij alle redelijke veiligheidsmaatregelen had genomen.
De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat slachtoffers de horecagelegenheid hadden bezocht onvoldoende is om aan te nemen dat de incidenten zich vanuit de inrichting hebben voorgedaan. Er ontbrak een zeker verband tussen de inrichting en de zedenincidenten. Daarom was de burgemeester niet bevoegd om de sluiting voort te zetten.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, vergoedde het griffierecht aan eiseres en veroordeelde de gemeente tot betaling van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen onderbouwing bij bestuursrechtelijke sluitingen op grond van openbare orde.
Uitkomst: De sluiting van de horecagelegenheid wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor het verband met zedenincidenten.