Op 16 april 2019 mishandelde de verdachte een ambtenaar in Rotterdam door hem krachtig in het gezicht te stompen tijdens diens rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De verdachte werd vervolgd voor mishandeling van een ambtenaar. Tijdens de terechtzitting op 7 november 2019 werd vastgesteld dat de verdachte leed aan schizofrenie en ten tijde van het feit psychotisch was met achtervolgingswaan, waardoor hij geheel ontoerekeningsvatbaar was.
De rechtbank baseerde dit oordeel op een psychiatrisch rapport van 6 september 2019, waarin werd geadviseerd de verdachte te plaatsen in een forensisch psychiatrische afdeling voor maximaal één jaar, gezien het recidivegevaar en de ernst van de stoornis. De verdachte had niet meegewerkt aan psychologisch onderzoek, maar de rechtbank vond het advies van de psychiater voldoende.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, maar achtte de verdachte niet strafbaar vanwege zijn geestelijke toestand en sprak hem vrij. Wel werd een maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis opgelegd voor de duur van één jaar. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf werd afgewezen omdat deze maatregel een passendere reactie vormde.
De rechtbank hield rekening met eerdere veroordelingen, de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn langdurige psychose en weigering tot medicatie en behandeling. De maatregel dient zowel zorg- als recidivepreventieve doelen.