De rechtbank Rotterdam heeft op 9 december 2019 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde werd eerder veroordeeld wegens medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij een aanzienlijk bedrag aan geldbedragen frauduleus was verkregen en overgeboekt.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van €33.830,26, later bijgesteld naar €32.224,91, gebaseerd op het voordeel dat de veroordeelde had genoten uit de baten van het strafbare feit. De verdediging betoogde dat dit bedrag op de bankrekening van de veroordeelde was achtergebleven en dat de veroordeelde financieel niet in staat was dit bedrag te betalen.
Uit het bewijs, waaronder bankafschriften en politieprocessen-verbaal, bleek dat de veroordeelde tussen november 2008 en februari 2011 een bedrag van €264.886,37 had ontvangen, waarvan €232.661,46 was overgemaakt naar een medeverdachte. Het resterende bedrag van €32.224,91 was door de veroordeelde gebruikt.
De rechtbank paste artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (oud) toe en hield rekening met een vordering van de benadeelde partij ter hoogte van €32.224,91. Gezien deze vordering en de toepasselijke wetgeving werd het wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk vastgesteld op nihil. De rechtbank legde daarom geen betalingsverplichting op aan de veroordeelde.