Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Voorafgaande veroordeling
3.De vordering van de officier van justitie
4.De verdediging
5.De strafbare feiten
28 februari 2011te Barendrecht ,
haarmededader wisten, dat die voorwerpen –
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam heeft op 9 december 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde was veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op €32.866,31, later aangepast naar €31.065,40.
De verdediging voerde aan dat het geld op de bankrekening van de veroordeelde eigen geld betrof, uitgeleend aan een medeverdachte, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank verwierp dit verweer wegens onvoldoende aannemelijkheid.
Op basis van banktransacties en onderzoek concludeerde de rechtbank dat de veroordeelde 13,8% van het totaalbedrag van €225.111,57 als wederrechtelijk verkregen voordeel had verkregen, wat neerkwam op €31.065,40. Echter, na toepassing van artikel 36e lid 8 (oud) Sr en aftrek van toegekende vorderingen aan benadeelde partijen, werd het bedrag vastgesteld op nihil.
De rechtbank baseerde haar oordeel op uitgebreid bankonderzoek en proces-verbaalgegevens, en paste de gunstigste wetsbepaling toe conform jurisprudentie van de Hoge Raad. De vordering tot ontneming werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op nihil en de vordering tot ontneming wordt afgewezen.