De rechtbank Rotterdam behandelde op 7 februari 2019 een zaak over het gezag en de omgangsregeling van een minderjarig kind, waarbij de ouders gezamenlijk gezag wilden verkrijgen over het kind dat momenteel onder voogdij staat van een gecertificeerde instelling (GI). De ouders verzochten tevens om een definitieve omgangsregeling met het kind.
De rechtbank oordeelde dat de ouders ontvankelijk waren in hun verzoek tot gezamenlijk gezag, ondanks dat de wet dit niet expliciet voorziet wanneer een voogd het gezag uitoefent. Echter, het verzoek werd afgewezen omdat het belang van het kind, dat primair gehecht is aan de grootouders die het kind sinds de geboorte verzorgen, prevaleert boven het recht van de ouders. De overgang naar het gezin van de ouders zou te belastend zijn voor het kind.
De voogdij blijft daarom bij een gecertificeerde instelling, maar de rechtbank stemde in met het ontslag van de huidige GI en de benoeming van een andere gecertificeerde instelling, het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, per 1 mei 2019.
Ten aanzien van de omgangsregeling werd de bestaande regeling grotendeels gehandhaafd met een uitbreiding dat het kind vanaf 13 februari 2019 ook op woensdagavond bij de ouders verblijft. De vakanties en verjaardagen zijn verdeeld tussen ouders en grootouders volgens een gedetailleerde regeling, waarbij de belangen van het kind en de kwaliteit van de omgang centraal staan.
De beslissing over de proceskosten en de voogdijwijziging werd aangehouden tot 30 april 2019. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.