ECLI:NL:RBROT:2019:10706
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen huisverbod op grond van Wet tijdelijk huisverbod
Eiser werd op 14 april 2019 door verweerder een huisverbod opgelegd op grond van de Wet tijdelijk huisverbod vanwege een ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid van achterblijver, zijn echtgenoot die minder valide is en in een rolstoel zit. Eiser stelde dat hij geen geweld had gebruikt en dat het huisverbod onterecht was opgelegd. Hij voerde aan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens strenge eisen stelt aan vrijheid beperkende maatregelen en dat de zorgvuldigheidseisen waren geschonden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aannam dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig vermoeden van gevaar opleverde. Hoewel de verklaringen over de gebeurtenissen op 13 april 2019 uiteenliepen, erkende eiser een conflict en een opvliegend karakter. Het Risicotaxatie instrument Huiselijk Geweld toonde meerdere hoge risico-indicatoren en politie constateerde lichte verwondingen bij achterblijver.
Verweerder mocht het belang van achterblijver om in zijn aangepaste woning te verblijven zwaarder laten wegen dan het belang van eiser om vrij gebruik te maken van de woning. Het huisverbod werd op 19 april 2019 opgeheven na afspraken met eiser, waardoor toetsing ex nunc achterwege bleef. De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde verweerder niet tot schadevergoeding of proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Woudstra op 16 juli 2019. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod wordt ongegrond verklaard en het huisverbod blijft van kracht tot de opgeheven datum.