Uitspraak
[naam achterblijfster 2], geboren op [geboortedatum achterblijfster 2] 2006, dochter van verzoeker;
Rechtbank Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam legde aan verzoeker een huisverbod op voor tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth), vanwege een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen die met verzoeker in de woning verblijven. Verzoeker stelde dat het besluit onterecht was en dat er een onevenredige belangenafweging was gemaakt, mede omdat er reeds een strafrechtelijk contact- en locatieverbod was opgelegd.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de achterblijvers anders dan incidenteel met verzoeker in de woning verbleven, onder meer omdat zij al 40 dagen bij verzoeker woonden. Uit getuigenverklaringen bleek dat er een ernstig incident had plaatsgevonden waarbij verzoeker fysiek geweld gebruikte tegen achterblijfster, wat resulteerde in een snee boven haar oog. Daarbij was een minderjarige getuige aanwezig, wat het gevaar vergrootte.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het vermoeden van gevaar voldoende was en dat de burgemeester in redelijkheid het huisverbod kon opleggen. Het feit dat de Officier van Justitie een gedragsaanwijzing had opgelegd deed hieraan niet af. Verzoeker kon elders verblijven, onder meer bij familie of opvang. Er waren geen bijzondere omstandigheden om het huisverbod voortijdig op te heffen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.