Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 04 december 2018;
- het F9-formulier van de vrouw met bijlage van 7 december 2018;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2019;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 18 januari 2019;
- de brief met bijlagen van de man van 16 april 2019;
- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 8 april 2019;
- het F9-formulier met bijlage van de vrouw van 30 april 2019.
- de vrouw met haar advocaat;
- de man met zijn advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam 1].
2..De beoordeling
- dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;
- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;
- dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen voorlopig zal worden bepaald door de casusmanager [naam 2], verbonden aan de William Schrikker Stichting of haar opvolg(st)er;
- dat de man met ingang van 1 december 2018 aan de vrouw een kinderbijdrage zal verstrekken van € 125,- per maand per kind en
NJ1989/ 700 en HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8843). Wanneer een van de echtgenoten een schadevergoeding ontvangt in verband met de schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet meteen sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 5 BW Pro wanneer die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de nadelige gevolgen van het ongeval die de persoon van de echtgenoot betreffen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat moet worden gesteld op welke schade van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre de vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Met andere woorden moet ten aanzien van de verknochtheid van een schadevergoeding onderscheid worden gemaakt tussen de materiële en immateriële schadevergoeding. Materiële schade is namelijk schade die direct in geld is uit te drukken, bijvoorbeeld: beschadiging van eigendommen, toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen, kosten voor het ziekenhuis, huishoudelijke hulp en dergelijke. Een materiële schadevergoeding kan verknocht zijn wanneer blijkt dat (een deel van) deze vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot na ontbinding van de gemeenschap zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006 ECLI:NL:HR2006:AX7805, HR 26 september 2008 ECLI:NL:HR:2008:BF2295, HR 17 oktober 2008
NJ2009/41en HR 7 december 2012 ECLI:NL:HR2012:BY0957). Immateriële schade is schade veroorzaakt door verdriet, de pijn en het verlies aan levensvreugde na een ongeval, ook wel smartengeld genoemd en wordt als verknocht aangenomen.
NJ2009, 40 namelijk onderscheid bij zaaksvervanging tussen gevallen waarin het privékarakter van het geld waarmee een goed is aangeschaft, zijn oorsprong vindt in verkrijging onder uitsluitingsclausule (zie HR 11 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, «JPF» 2015/99, m.nt. Reinhartz), en gevallen waarin het privékarakter is veroorzaakt door verknochtheid. In het eerste geval kan aan de hand van artikel 1:95 lid 1 BW Pro vastgesteld worden met welk geld het goed voor meer dan de helft bij de verkrijging is betaald: was dit goed voor meer dan de helft met privégeld van de verkrijger betaald, dan wordt het goed privé-eigendom van die verkrijger. Is het goed bij de verkrijging voor meer dan de helft met gemeenschapsgeld betaald, dan valt het goed in de gemeenschap. Bij verknochte goederen geldt volgens de HR voor het oude recht – en blijkens de parlementaire geschiedenis ook naar nieuw recht – deze regel niet. Volgens de HR wordt bij verknochte goederen de meer dan de helft-regel overruled door de vraag of het verkregen goed ook weer verknocht is aan de verkrijger. Het nieuw verkregen goed dat gefinancierd is met een schadevergoeding, welke in beginsel verknocht was, wordt niet automatisch ook verknocht. Het antwoord op de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, hangt immers af van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Hieruit vloeit reeds voort dat niet ieder goed dat in de plaats treedt van een verknocht goed (in dit geval de woning in plaats van het geld), eveneens of op dezelfde wijze als aan een van de echtelieden verknocht kan worden beschouwd (gerechtshof Amsterdam 22 juli 2014 ECLI:NL:GHAMS:2014:6041).
3..De beslissing
1 september 2019 PRO FORMAin afwachting van het advies van de raad en de nog door partijen in de verdeling over te leggen stukken en in te nemen standpunten;