De minister weigerde handhavend op te treden tegen het Pieter Baan Centrum (PBC) wegens het ontbreken van een klachtenregeling zoals vereist door de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De rechtbank stelt vast dat hoofdstuk 3 van de Wkkgz wel van toepassing is op het PBC en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) als zorgaanbieder, ondanks het ontbreken van expliciete uitsluiting in de wet.
Eiser, die in het verleden in het PBC was opgenomen, stelde dat hij geen mogelijkheid had om te klagen over het diagnostisch onderzoek dat ten grondslag lag aan een strafrechtelijke maatregel. De rechtbank concludeerde dat het verzoek van eiser kwalificeert als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het bestreden besluit een besluit in de zin van de Awb vormt.
De rechtbank oordeelde dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de Wkkgz niet is uitgesloten voor het diagnostisch onderzoek in het PBC. De rechtbank vernietigde het besluit, droeg de minister op een nieuw besluit te nemen en veroordeelde hem in de proceskosten van eiser.