Verzoeker had sinds 2016 een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning voor een horecagelegenheid. Na een advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) waarin een ernstig gevaar werd vastgesteld dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt voor strafbare feiten, heeft verweerder de vergunningen ingetrokken. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht het LBB-advies heeft gevolgd, omdat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en het ernstig gevaar aannemelijk is. Verzoeker had onjuiste gegevens verstrekt op het bibob-formulier, wat het vermoeden van valsheid in geschrifte bevestigt. Ook de strafbare feiten waarop het advies is gebaseerd, waaronder wapenbezit en mishandeling, mogen worden betrokken bij de beoordeling.
Echter, de voorzieningenrechter vindt dat de intrekking van de vergunningen niet in verhouding staat tot de ernst en aard van de strafbare feiten. De mishandeling vond plaats in de privésfeer en het wapenbezit betrof een creditcardmes dat niet uit het criminele circuit afkomstig is. Sindsdien zijn geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Daarom wordt het besluit geschorst en het bezwaar krijgt een redelijke kans van slagen.
Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.