Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
Rechtbank Rotterdam
Op 12 juni 2018 werden twee containers met fruit uit de Dominicaanse Republiek in Londen gecontroleerd, waarin 510 kilogram cocaïne werd aangetroffen. De containers waren bestemd voor een bedrijf in Barendrecht en de verdachte was directeur en enig aandeelhouder van de koper.
De containers werden vervolgens naar een loods in Vlaardingen vervoerd, eigendom van de verdachte, waar medewerkers begonnen met lossen. De verdachte vertrok voordat het lossen was afgerond en werd later aangehouden. De officier van justitie stelde dat de verdachte betrokken was bij de invoer van de cocaïne, gebaseerd op diverse opvallende omstandigheden zoals de onlogische routing, de grote hoeveelheid cocaïne, de nauwe banden tussen betrokken bedrijven, en het ontbreken van koeling in de loods.
De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang, geen concrete aanwijzingen bevatten dat de verdachte wist van de cocaïne in de containers. Er was onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij het transport en de invoer van de drugs. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Het bevel tot voorlopige hechtenis werd eerder opgeheven en het in beslag genomen folie in de loods werd als waardeloos beschouwd. De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet bewezen kan worden betrokken bij het invoeren of voorbereiden van de invoer van de cocaïne.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs van betrokkenheid bij invoer van 510 kg cocaïne.