Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2019:3501

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 april 2019
Publicatiedatum
2 mei 2019
Zaaknummer
10/680269-17
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen en apparatuur

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, verpakkingsmaterialen, versnijdingsapparatuur en weegschalen, bestemd voor het voorbereiden of bevorderen van feiten onder artikel 10 lid 4 en Pro 5 van de Opiumwet.

De tenlastelegging betrof de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 januari 2016, waarin verdachte mede-eigenaar was van een smartshop. Op 25 februari 2016, na overdracht van de winkel aan een nieuwe eigenaar, werden bij een controle aanzienlijke hoeveelheden versnijdingsmiddelen en aanverwante materialen aangetroffen in de opslagruimte achter de winkel.

Verdachte verklaarde dat deze middelen er niet lagen tijdens zijn mede-eigendom en dat hij sinds de overdracht niet meer in de winkel was geweest. Dit werd bevestigd door medeverdachten. De rechtbank kon niet vaststellen of de middelen al vóór 25 februari 2016 aanwezig waren en vanaf welke datum. Ook was niet gebleken dat verdachte op enig moment (voorwaardelijk) opzet had om de strafbare feiten te plegen.

Daarom oordeelde de rechtbank dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak zij verdachte vrij van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen en aanverwante materialen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/680269-17
Datum uitspraak: 5 april 2019
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2019.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. de Bruijne heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
Op 25 februari 2016 zijn bij een doorzoeking in een smartshop, waarvan de verdachte tot 1 februari 2016 mede-eigenaar was, onder andere versnijdingsmiddelen aangetroffen waarvan de nieuwe eigenaar stelt dat deze middelen behoorden tot de door hem overgenomen winkelinventaris. Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.
4.1.2.
Beoordeling
De verdachte is van 1 februari 2015 tot 1 februari 2016 mede-eigenaar geweest van [naam winkel] in [naam plaats] . Op 25 februari 2016, kort nadat de winkel was overgedragen aan een andere eigenaar, zijn er bij een integrale controle van de Rijksbelastingdienst, afdeling Toezicht van de gemeente Dordrecht en speurhondengeleiders van de Douane in de opslagruimte achter deze winkel 3 zakken en 20 bakjes zonder etiket aangetroffen met daarin in totaal 488,7 gram fenacetine, 354,7 gram lidocaïne en 700,2 gram paracetamol en caffeïne. Deze middelen kunnen worden gebruikt -de fenacetine zelfs uitsluitend- als versnijdingsmiddel voor harddrugs. In de winkel zijn tevens verpakkingsmaterialen, versnijdingsapparatuur en weegschalen aangetroffen.
De verdachte heeft verklaard dat de zakken en bakjes met versnijdingsmiddelen er niet lagen toen hij nog mede-eigenaar was van de winkel en dat hij sinds 1 februari 2016 niet meer in de winkel is geweest, hetgeen ook wordt bevestigd door de medeverdachten. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij wel ponypacks in het assortiment van zijn winkel had, om de omzet te verhogen.
De rechtbank oordeelt dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld of de versnijdingsmiddelen en de aangetroffen voorwerpen al vóór 25 februari 2016 in (de opslagruimte van) de winkel lagen en zo ja, vanaf welke datum dan. Omdat de verdachte tot 1 februari 2016 mede-eigenaar van de winkel was en nadien niet meer in de winkel is geweest, kan hij niet (zonder meer) verantwoordelijk worden gehouden voor middelen en voorwerpen, die daar op 25 februari 2016 zijn aangetroffen. Voorts is niet gebleken dat de verdachte op enig moment het (voorwaardelijk) opzet had om feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. A.A.T. Werner en R.E. Drenth, rechters,
in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2019.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 januari 2016,
te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans
alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van
een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne
(een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te
bereiden en/of te bevorderen (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en)
paracetamol en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of fenacetine en/of
verpakkingsmateriaal en/of versnijdingsapparatuur en/of een of meer
weegscha(a)l(en), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes
mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die
bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).