ECLI:NL:RBROT:2019:3843

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
13 mei 2019
Zaaknummer
10/007178-19
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 5 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor medeplegen invoer en bezit methamfetamine

De rechtbank Rotterdam heeft op 19 april 2019 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van medeplegen van invoer en bezit van methamfetamine. De zaak betrof een onderschept postpakket met twaalf potten witte pasta, waarvan methamfetamine was vastgesteld. Het pakket was geadresseerd aan een adres waar de verdachte stond ingeschreven.

De medeverdachte nam het pakket in ontvangst en had contact met een persoon aangeduid als [bijnaam verdachte] via een telefoonnummer dat ook aan de verdachte werd toegeschreven. De rechtbank concludeerde op basis van telefoongegevens, whatsappgesprekken en verklaringen dat de verdachte en [bijnaam verdachte] dezelfde persoon zijn, ondanks ontkenning van de verdachte.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte methamfetamine heeft ingevoerd en in bezit had. De hoeveelheid methamfetamine was lager dan de tenlastegelegde 11 kilo, omdat slechts één pot daadwerkelijk was afgeleverd en het percentage methamfetamine in de pasta varieerde.

Gezien de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en zijn prominente rol, werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging en sprak de verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer en bezit van methamfetamine.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/007178-19
Datum uitspraak: 19 april 2019
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,
raadsman H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2019.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen van de invoer en van het voorhanden hebben van methamfetamine;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

Bewijswaardering
Standpunt verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern betoogd dat de verdachte en [bijnaam verdachte] niet een en dezelfde persoon is.
Beoordeling
Door de Duitse autoriteiten is op 31 oktober 2018 een postpakket onderschept met daarin twaalf potten met een witte pasta. Vastgesteld is dat in die pasta een gehalte aan methamfetamine zat variërend tussen de 14% en 32% per pot. Het pakket was afkomstig uit Mexico en geadresseerd aan [naam] , [adres verdachte] in Rotterdam (hierna: het adres). Op het adres staat de verdachte ingeschreven. De politie heeft op 9 november 2018 het pakket gecontroleerd afgeleverd. Het is toen op het adres door de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) in ontvangst genomen, waarbij hij nog heeft gevraagd of hij € 165,- moest betalen. Na de aflevering van het pakket is waargenomen dat de medeverdachte ijsberend en bellend over de galerij loopt en vervolgens met het pakket het portiek verlaat. Kort nadien is hij aangehouden.
Uit onderzoek van de telefoon van de medeverdachte is gebleken dat hij regelmatig contact heeft met een persoon die [bijnaam verdachte] wordt genoemd en gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm-nummer] . Daarbij is onder andere opgevallen dat [bijnaam verdachte] op 13 september 2018 een internetlink naar de medeverdachte heeft gestuurd over twee mannen die zijn onderschept op Aruba in een verdovende middelenonderzoek en dat de medeverdachte op zijn beurt op 9 oktober 2018 naar [bijnaam verdachte] een bericht heeft gestuurd over piloten die in Columbia zijn aangehouden naar aanleiding van een onderzoek met betrekking tot internationale drugshandel.
Verder is vastgesteld dat de medeverdachte foto’s van betalingsbewijzen heeft gestuurd naar [bijnaam verdachte] . Het betreft twee betalingen van € 1.000,- die op 1 oktober 2018 zijn overgemaakt naar Mexico. De originele betalingsbewijzen zijn in de auto van de medeverdachte aangetroffen. Door hem is verklaard dat hij deze betalingen in opdracht van [bijnaam verdachte] heeft gedaan, dat hij hiervoor geld ontving en dat hij wel kon bedenken dat die betalingen met drugs te maken hadden. Ook is vast komen te staat dat de medeverdachte rond de aflevering van het pakket whatsappgesprekken met [bijnaam verdachte] heeft gevoerd. Hierin werd de medeverdachte onder meer geïnstrueerd om het pakket met daarop de naam [naam] op het adres in ontvangst te nemen. Direct na ontvangst heeft de medeverdachte aan [bijnaam verdachte] laten weten: “Klaar meneer [naam] . Ik heb het”. Door [bijnaam verdachte] is vervolgens gevraagd “Hoeveel 165”, waarna de medeverdachte heeft laten weten dat hij niks hoefde te betalen.
Aan de hand van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank in de zaak van de medeverdachte tot het oordeel dat hij zich in ieder geval samen met [bijnaam verdachte] heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Dat brengt mee dat als de verdachte [bijnaam verdachte] is, ook in deze zaak tot een bewezenverklaring zal worden geconcludeerd. De verdachte heeft ontkend [bijnaam verdachte] te zijn. Aan die ontkenning wordt echter geen waarde gehecht. Daartoe wordt het volgende overwogen. Door de verdachte is op zitting verklaard dat het hiervoor genoemde telefoonnummer [gsm-nummer] van hem is. Ditzelfde nummer zit in een groepsapp van een softballteam dat in de telefoon van de medeverdachte is aangetroffen. Aan dat nummer is in die groepsapp de naam [bijnaam verdachte] verbonden en de persoon die het nummer gebruikt, meldt zich in de conversatie met de naam [voornaam verdachte] . De verdachte heeft bevestigd dat hij in deze groepsapp zit, dat hij daarin de naam [voornaam verdachte] gebruikt en dat hij de enige in de groep is met die naam. Hieruit wordt opgemaakt dat de verdachte en [bijnaam verdachte] een en dezelfde persoon is en dat het de verdachte is geweest met wie de medeverdachte voorafgaande aan en rond de aflevering van het pakket contact heeft gehad, zoals hiervoor kort weergegeven. Er is geen enkele aanwijzing dat het telefoonnummer op die momenten door een andere persoon dan de verdachte zou zijn gebruikt. Verder is voor het door de verdediging opgeworpen scenario dat het Whatsappaccount van de verdachte is gekloond nog geen begin van enige aannemelijkheid aanwezig.
Gelet op het voorgaande, zoals dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan het in de tenlastegelegde periode willens en wetens binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid methamfetamine. Omdat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, wordt het voorhanden hebben van die methamfetamine ook bewezenverklaard. Ten aanzien van de hoeveelheid wordt geoordeeld dat geen bewijs aanwezig is voor de tenlastegelegde 11 kilo, ofwel het totale gewicht van de inhoud van de twaalf potten, omdat slechts een (wisselend) percentage van de witte pasta in die potten bestond uit methamfetamine en niet meer dan één pot feitelijk is afgeleverd.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij
in de periode van 31 oktober 2018 tot en met 9 november 2018
te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als
bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine ,
zijnde methamfetamine een middel vermeld op de bij de
Opiumwet behorende lijst I ;
2
hij
op 9 november 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een andere,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine ,
zijnde methamfetamine een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A gegeven verbod;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is strafbaar.

7.Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de invoer in Nederland en het voorhanden hebben van methamfetamine. Methamfetamine is een gevaarlijke, chemische substantie, die uitermate verslavend is en het lichaam bij veelvuldig gebruik systematisch vernietigt. Dit maakt dat het gebruik flinke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt. Hierbij komt dat de internationale illegale handel in harddrugs leidt tot een ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het drugsgebruik terug te dringen. Bovendien zijn de gevolgen voor de samenleving aanzienlijkwaar het de schade betreft die voortvloeit uit de veelal met de handel in en het gebruik van drugs gepaard gaande criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was, naar mag worden aangenomen, slechts uit op eigen financieel gewin.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder is acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 6 maart 2019.
Gezien de ernst van de feiten, zijn strafblad en de prominente rol van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. V.F. Milders, voorzitter,
en mrs. G.P. van de Beek en D. van Putten, rechters,
in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij
in de periode van 31 oktober 2018 tot en met 9 november 2018
te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als
bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet,
een hoeveelheid van ongeveer 11 kilogram, in elk geval een (grote)
hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine (crystal
meth), zijnde methamfetamine (crystal meth) een middel vermeld op de bij de
Opiumwet behorende lijst I danwel aangewezen krachtens het vijfde lid
van artikel 3a van die wet.
2
hij
op of omstreeks 9 november 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine (crystal meth),
zijnde methamfetamine (crystal meth) een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3 a van die wet.