ECLI:NL:RBROT:2019:6140
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verrekening ondanks verjaring van terugvordering bijstand
Eiser verzocht kwijtschelding van teruggevorderde bijstandsvorderingen, welke door verweerder werd afgewezen. De terugvordering betrof bedragen uit 2002 en was volgens eiser verjaard omdat er na 2003 geen incassoactiviteiten of stuitingen plaatsvonden.
De kern van het geschil betrof de vraag of, ondanks verjaring, verweerder op grond van artikel 6:131 lid 1 BW Pro bevoegd blijft tot verrekening. De Centrale Raad van Beroep had in een eerdere uitspraak van 29 april 2019 deze vraag onbeantwoord gelaten.
De rechtbank overwoog dat de terugvordering dateert van vóór de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per 1 juli 2009, waardoor het overgangsrecht van toepassing is. Dit betekent dat artikel 4:104 Awb Pro niet van toepassing is en artikel 6:131 lid 1 BW Pro wel, waardoor de bevoegdheid tot verrekening ondanks verjaring blijft bestaan.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.H. de Wildt op 31 juli 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verrekening van teruggevorderde bijstand ondanks verjaring wordt ongegrond verklaard.