ECLI:NL:CRVB:2019:1372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verjaring van invorderingsrecht bij terugvordering bijstand na schending inlichtingenplicht
Betrokkene ontving bijstand sinds 1996 en kreeg in 2004 een terugvorderingsbesluit opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht over inkomsten uit arbeid. Het college vorderde een bedrag van ruim €38.000 terug. Betrokkene vroeg in 2015 kwijtschelding aan, welke werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde dat de vordering verjaard was, waardoor het verzoek om kwijtschelding niet ontvankelijk was.
In hoger beroep stelde het college dat de verjaring niet was begonnen omdat de vordering pas opeisbaar werd na aflossing van oudere schulden, dat de verjaringstermijn twintig jaar bedroeg en dat de verjaring was gestuit door erkenning van schuld en betalingsregelingen. De Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar geldt voor vorderingen uit onverschuldigde betaling en dat de termijn begon te lopen op het moment van het terugvorderingsbesluit in 2004, ondanks het ontbreken van een volledige invorderingsbesluit.
De Raad verwierp de stuitingsgronden omdat erkenning van de schuld niet specifiek was en verrekeningen niet duidelijk waren toegerekend. Het beroep van het college op verrekening na verjaring werd niet behandeld wegens procesorde. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, het beroep van het college afgewezen en het college veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen omdat het recht tot het nemen van een invorderingsbesluit is verjaard.