ECLI:NL:RBROT:2019:6340
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap wegens terroristisch misdrijf
Verzoeker, die de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit, is onherroepelijk veroordeeld voor het voorbereiden van een terroristisch misdrijf en het Nederlanderschap is op grond daarvan ingetrokken. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om het besluit op te schorten.
De rechtbank stelt vast dat de intrekking van het Nederlanderschap conform artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) is genomen en dat verzoeker niet staatloos wordt omdat hij ook de Turkse nationaliteit bezit. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris een vaste gedragslijn hanteert waarbij intrekking de regel is bij dergelijke veroordelingen, tenzij zeer bijzondere omstandigheden zich voordoen, welke hier niet zijn aangetoond.
Verzoeker voerde aan dat hij een Turkse Koerd is, weinig band heeft met Turkije, en inmiddels gederadicaliseerd zou zijn. De rechtbank acht deze stellingen onvoldoende aannemelijk en wijst erop dat het reclasseringsrapport geen steun biedt voor de stelling van deradicalisering. Ook het belang van verzoeker om zijn reclasseringstraject voort te zetten weegt niet zwaarder dan het belang van de staat bij intrekking.
Internationaalrechtelijke bezwaren, waaronder het verlies van het Unieburgerschap en discriminatie op grond van nationaliteit, worden door de rechtbank verworpen. De belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen het besluit. De rechtbank concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen en dat het bezwaar tegen het besluit naar verwachting zal worden verworpen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van het Nederlanderschap wordt afgewezen.