ECLI:NL:RBROT:2019:6383
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. Musterman
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot verrekening proceskostenvergoeding met openstaande schulden
Eiseres had haar proceskostenvergoeding verpand aan haar gemachtigde en procedeerde op toevoegingsbasis. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verrekende de toegekende proceskostenvergoeding en griffierecht met openstaande schulden wegens teruggevorderde bijstand. Eiseres stelde dat deze verrekening onrechtmatig was omdat het pandrecht voorgaat en verweerder niet bevoegd zou zijn tot verrekening op grond van de Participatiewet en Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die bevestigt dat het college op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is om een proceskostenvergoeding te verrekenen met vorderingen uit de Participatiewet, ook bij toevoegingsprocedures. De verrekening gaat voor op betaling aan een derde, zoals de gemachtigde.
De rechtbank oordeelde dat het pandrecht een civiele rechtsverhouding betreft tussen gemachtigde en college, die niet in deze bestuursrechtelijke procedure aan de orde is. Er was geen aanleiding om te oordelen dat het college onredelijk van haar bevoegdheid gebruik had gemaakt. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verrekening van de proceskostenvergoeding met openstaande schulden wordt ongegrond verklaard.