ECLI:NL:CRVB:2016:4256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot verrekening van bezwaarkostenvergoeding met vordering op betrokkene
De zaak betreft een hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. Het college had de bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag van betrokkene ingetrokken en de kosten daarvan teruggevorderd. Bij besluit van 16 februari 2015 werd de terugvordering nader vastgesteld en een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toegekend, welke kosten het college verrekende met de openstaande vordering.
De rechtbank oordeelde dat deze verrekening niet was toegestaan wanneer sprake is van een toevoeging voor rechtsbijstand en bepaalde dat de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener betaald moest worden. Het college stelde in hoger beroep dat de verrekening wel mogelijk is op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW).
De Raad overwoog dat de proceskostenvergoeding bij toevoeging krachtens artikel 7:15, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtsbijstandverlener moet worden betaald, maar dat dit niet uitsluit dat het college de kostenvergoeding kan verrekenen met de vordering op betrokkene. De Raad wees op de wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de hardheidsclausule die toepassing van verrekening kan beperken, maar in dit geval was verrekening toegestaan.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de verrekening verbood en verklaarde het beroep van het college ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college bevoegd was de bezwaarkostenvergoeding te verrekenen met de vordering op betrokkene.