De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek op grond van artikel 591a Sv tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een strafzaak tegen verzoeker. De zaak betrof een omvangrijk onderzoek naar faillissementsfraude waarbij ook rechtspersonen als verdachten waren aangemerkt. De strafzaak tegen verzoeker eindigde met een vrijspraak die onherroepelijk werd op 15 maart 2018.
Hoewel de facturen van de raadsman op naam van een rechtspersoon stonden, stelde de rechtbank vast dat de kosten daadwerkelijk door verzoeker zijn gedragen via doorbelasting. De rechtbank volgde het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2018, waarin is bepaald dat vergoeding van kosten niet wordt uitgesloten indien een derde de kosten draagt.
De rechtbank wees de BTW-kosten af omdat de rechtspersoon deze kon verrekenen in de eigen aangifte. Voor de overige kosten werd een vergoeding van €42.825,28 toegekend. Daarnaast werd een forfaitaire vergoeding van €550,- toegekend voor het opstellen en behandelen van het verzoekschrift. In totaal werd een vergoeding van €43.375,28 toegekend.