4.10.De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Iv-Consult. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen:
- In zijn e-mail van 4 juli 2017 (zie 2.5.) deelt [naam 1] aan [verzoeker] mee dat hij en [naam 2] [verzoeker] verantwoordelijk houden voor de slechte bedrijfseconomische situatie waarin Iv-Consult op dat moment verkeert en dat zij [verzoeker] niet de juiste persoon vinden om Iv-Consult te leiden in het noodzakelijke transformatieproces. Vervolgens gaan zij in op alternatieve projecten waar [verzoeker] in hun ogen geschikt voor zou kunnen zijn. Ongeacht de achtergrond waarin die mail is verzonden – volgens Iv-Consult had [verzoeker] [naam 1] verzocht om een schriftelijke stellingname, volgens [verzoeker] wilde hij van [naam 1] een schriftelijke bevestiging van hetgeen hij tijdens het gesprek van 30 juni 2017 had aangehoord – valt niet goed te begrijpen waarom [naam 1] , wetende dat [verzoeker] klachten van psychische aard had en zich derhalve in een kwetsbare positie bevond, zich op dat moment op die wijze heeft geuit over de inhoud van de functie en de geschiktheid van [verzoeker] voor zijn functie. Hoewel in die mail niet expliciet is uitgesproken dat Iv-Consult het vertrouwen in [verzoeker] had opgezegd, neemt dat niet weg dat [verzoeker] begrijpelijkerwijs dit wel als zodanig heeft opgevat. Immers, uit de bewoordingen kon en mocht [verzoeker] opmaken dat [naam 1] en [naam 2] niet tevreden waren over zijn functioneren en dat, als het aan hen lag, hij niet zou terugkeren in zijn eigen functie van statutair (algemeen) bestuurder maar een andere functie zou uitoefenen. Het ligt voor de hand dat deze mededeling het herstel van [verzoeker] nadelig heeft beïnvloed. De vaststelling van de bedrijfsarts dat de gezondheid van [verzoeker] in de periode van juni-oktober 2017 dermate achteruit is gegaan dat hij per 11 oktober 2017 volledig arbeidsongeschikt is, past in die lijn.
- In maart 2018 heeft het UWV geoordeeld dat Iv-Consult onvoldoende inspanningen heeft verricht ten behoeve van de re-integratie van [verzoeker] (zie 2.7.). Geconcludeerd is, en dat blijkt ook uit de processtukken, dat [verzoeker] geen passende werkzaamheden heeft verricht, terwijl er evenmin sprake was van een opname of behandeling. De rechtbank begrijpt uit de stukken dat partijen na onderling overleg waren overeengekomen dat [verzoeker] , ondanks dat hij volgens de bedrijfsarts gedeeltelijk inzetbaar was, geen werkzaamheden zou verrichten teneinde zich volledig te kunnen richten op herstel. Ook in dat geval is het echter aan de werkgever om de werknemer handvatten te bieden (zoals een behandeltraject) om te werken aan herstel. In dat kader heeft enkel een arbeidsbelastbaarheidsonderzoek door Ergatis plaatsgevonden, dat (om voor de rechtbank onduidelijke redenen) onnodig veel tijd heeft gekost en waarvan de resultaten bovendien onvolledig en deels onbruikbaar waren. Het oordeel van het UWV in oktober 2018 dat de re-integratie inspanningen van Iv-Consult wel voldoende waren, hield verband met het enkele feit dat [verzoeker] geen benutbare mogelijkheden had. Aldus heeft Iv-Consult onvoldoende gedaan om [verzoeker] te laten re-integreren in zijn eigen functie.
- Vaststaat dat Iv-Groep het besluit, om tot ontslag van [verzoeker] als bestuurder over te gaan, op 26 november 2018, heeft genomen zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen daarover zijn advies uit te brengen. Evenmin is [verzoeker] kort daarna gekend in het ontslagbesluit. Pas door de brief van de Kamer van Koophandel van 28 november 2018, met de mededeling aan [verzoeker] dat hij in het handelsregister was uitgeschreven als bestuurder van Iv-Consult, kwam [verzoeker] erachter dat er iets was voorgevallen. Wat er precies aan de hand was, was hem toen nog onduidelijk. Op zijn verzoek om duidelijkheid, heeft [naam 1] (zie 2.13.) hem medegedeeld dat er is besloten [verzoeker] uit te schrijven uit het handelsregister, maar dat dit geen ontslagbesluit betreft. Dat dit evident een onjuistheid is gebleken kan reeds blijken uit het besluit zelf waarin [verzoeker] onvoorwaardelijk als bestuurder is ontslagen en voorts uit het feit dat niet voor de in de statuten opgenomen mogelijkheid van een tijdelijk bestuur wegens ontstentenis van [verzoeker] werd gekozen, maar voor een definitief ontslag. Ondanks verzoeken daartoe van [verzoeker] , heeft Iv-Consult nagelaten het besluit aan [verzoeker] te doen toekomen. Pas in februari 2019 heeft de advocaat van [verzoeker] via de notaris vernomen dat er wel degelijk sprake was van een ontslagbesluit en heeft [verzoeker] op 19 februari 2019 (dus bijna drie maanden nadat het besluit was genomen) het ontslagbesluit onder ogen gekregen. De door Iv-Consult ter zitting gegeven verklaring dat zij [verzoeker] niet heeft geïnformeerd over het ontslagbesluit omdat [verzoeker] had gevraagd geen contact met hem op te nemen, is geen rechtvaardiging voor de wijze waarop Iv-Consult in deze heeft gehandeld. Deze gang van zaken is onbegrijpelijk en valt Iv-Consult zwaar aan te rekenen.