ECLI:NL:RBROT:2019:6583

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 augustus 2019
Publicatiedatum
19 augustus 2019
Zaaknummer
ROT 19/2189
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:91 AwbArt. 8:94 AwbArt. 2.5 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd voor schadevergoeding wegens vermeende overschrijding redelijke termijn hoger beroep

Eiser verzocht de rechtbank om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag op hoger beroepen die in 2015 waren ingediend. De griffier stuurde het verzoek door naar het Hof, dat volgens het gerechtsbestuur geen procedure meer voerde omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State al onherroepelijke uitspraken had gedaan.

Eiser bleef volharden in zijn verzoek aan de rechtbank, die vervolgens oordeelde dat zij op grond van artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd was om kennis te nemen van het verzoek. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om uitspraak te doen over de schadevergoeding.

De rechtbank merkte op dat indien het verzoek om schadevergoeding in het kader van de afgesloten procedures was ingediend, zij mogelijk wel bevoegd zou zijn geweest, maar dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat de procedures in totaal minder dan vier jaar duurden. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en het griffierecht werd niet geheven.

De uitspraak werd gedaan door rechter E. Lunenberg en griffier R. Stijnen op 28 augustus 2019. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/2189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en
de Staat der Nederlanden(Minister voor Rechtsbescherming), de Staat, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft de rechtbank bij brief van 26 april 2019 verzocht om een schadevergoeding vanwege het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag (het Hof) op in 2015 ingediende hoger beroepschriften tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2015 (zaaknummers ROT 14/5256 en ROT 14/5192).
De griffier heeft het verzoek doorgezonden naar het Hof, omdat naar het oordeel van de griffier niet de rechtbank maar het Hof bevoegd is. Eiser is van de doorzending bij brief van 2 mei 2019 op de hoogte gesteld.
Bij brief van 3 juli 2019 heeft eiser gepersisteerd in zijn verzoek aan de rechtbank om schadevergoeding.

Overwegingen

1. De rechtbank doet gelet op artikel 8:54, in verbinding met artikel 8:94, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Eiser betoogt dat de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188), bevoegd is te oordelen over zijn verzoek om schadevergoeding.
3. In een geval waarin wordt verzocht om schadevergoeding wegens trage rechtspraak dient de Staat als procespartij te worden aangemerkt.
4. In artikel 8:91, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het verzoek om schadevergoeding wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, het wordt ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is. Titel 8.4 van de Awb – waarvan deze bepaling deel uitmaakt – wordt overeenkomstig toegepast indien het verzoek om schadevergoeding is gedaan op grond van overschrijding door de bestuursrechter van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Tussen de door eiser overgelegde stukken bij zijn brief van 26 april 2019 bevindt zich een brief van het gerechtsbestuur van het Hof van 12 juli 2016. Uit die brief komt naar voren dat de Afdeling op 23 juli 2015 en 30 juli 2015 uitspraken heeft gedaan op de hoger beroepen van eiser tegen de uitspraken van de rechtbank van 6 maart 2015. Verder komt daaruit naar voren dat de Afdeling ook correspondentie naar het Hof heeft gestuurd, maar dat het Hof die correspondentie niet beschouwt als een hoger beroepschrift, omdat al door de Afdeling op het hoger beroep is beslist.
6. Hoewel uit het voorgaande volgt dat volgens het gerechtsbestuur van het Hof geen procedure loopt bij het Hof, terwijl er blijkbaar wel onherroepelijke uitspraken van de Afdeling voorliggen, is het verzoek van eiser om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niettemin gestoeld op zijn stelling dat het Hof nog immer in gebreke is uitspraken te doen op zijn hoger beroepen. Gelet op die insteek van het verzoek is de rechtbank overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Omdat eiser heeft volhard in zijn stelling dat de rechtbank bevoegd is, zal de rechtbank de brief van 3 juli 2019 niet per brief van de griffier doorzenden naar het Hof, maar uitspraak doen.
7. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank beschikt niet over de genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2015 en 30 juli 2015, omdat eiser die in deze procedure niet heeft overgelegd en de uitspraken voorts niet zijn gepubliceerd. Indien eiser in het kader van die afgesloten procedures een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zou hebben willen richten aan de bestuursrechter, dan zou de rechtbank mogelijk wel bevoegd zijn geweest, maar dan zou zo’n verzoek niet succesvol zijn omdat die procedures in totaliteit minder dan vier jaar in beslag hebben genomen, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.
8. De rechtbank zal zich gelet op wat onder 6 is overwogen onbevoegd verklaren.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Gelet op artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 heeft de griffier afgezien van het heffen van griffierecht.

Beslissing

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 augustus 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.