ECLI:NL:RBROT:2019:6990

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 september 2019
Publicatiedatum
30 augustus 2019
Zaaknummer
ROT 19/759
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • J. Gans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van recht bij griffierechtbetaling

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een afwijzing van een voorrangsverklaring op grond van de Huisvestingsverordening Zwijndrecht. De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiser ontheffing van griffierecht kon krijgen vanwege betalingsonmacht, mede gelet op het vermoeden van misbruik van recht.

De rechtbank constateerde een patroon van misbruik van recht door eiser: hij ontkent stelselmatig ontvangst van besluiten en formuleert geen inhoudelijke beroepsgronden, maar vraagt alleen om dwangsommen en proceskosten. Dit gedrag is eerder door de bestuursrechter als misbruik van recht aangemerkt.

In deze zaak bleek dat het besluit op bezwaar juist geadresseerd was en eiser niet inhoudelijk reageerde op de brief van de griffier. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk wegens niet betaling van griffierecht en misbruik van recht. Een proceskostenveroordeling is niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht en niet betaling van griffierecht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/759
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 14 februari 2019 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van verweerder van 27 augustus 2019 (het primaire besluit) waarbij de aanvraag van eiser om een voorrangsverklaring op grond van de Huisvestigingsverordening Zwijndrecht is afgewezen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Bij besluit van 20 december 2018 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit liggen de door verweerder overgenomen overwegingen ten grondslag van de Bezwarencommissie Gemeente Zwijndrecht dat eiser geen belang meer heeft bij zijn bezwaar, omdat hij vervangende woonruimte heeft gevonden en er geen causaal verband is tussen de door hem gestelde schade en het primaire besluit.
3. Omdat eiser een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan in verband met de verplichting griffierecht te voldoen, zal de rechtbank zich ambtshalve buigen over de vraag of eiser geen ontheffing van de verplichting tot het betalen van griffierecht moet worden verleend, omdat met het instellen van beroep sprake is van misbruik van recht (ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730). De rechtbank brengt in dit verband in herinnering dat, gelet op de grote hoeveelheid aanvragen van eiser aan en procedures van eiser tegen verweerder en andere instanties, alsmede op de eerder gegeven oordelen van de bestuursrechter over het procedeergedrag van eiser, inmiddels het punt is bereikt dat de rechtbank voorshands uitgaat van misbruik van recht door eiser, tenzij aanknopingspunten bestaan voor het tegendeel (Rb. Rotterdam 17 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4060). De rechtbank komt gelet hierop tot de volgende beoordeling.
4. Hoewel destijds sprake lijkt te zijn geweest van een reëel belang van eiser bij de aanvraag, kan het belang bij (verdere) besluitvorming komen te ontvallen en kan het instellen van rechtsmiddelen – mede gelet op eerder procedeergedrag van eiser – leiden tot het oordeel dat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht.
5. Aan de hand van de vele procedures die eiser heeft gevoerd, heeft de rechtbank het volgende patroon ontwaard. In de vele gevallen waarin eiser beroep instelt wegens niet tijdig beslissen (op bezwaar) ontkent hij stelselmatig dat hij de wel genomen en juist geadresseerde besluiten (op bezwaar) – waarvan in sommige gevallen ook aannemelijk is gemaakt dat die zijn verzonden – heeft ontvangen. Nadat deze besluiten hem door de griffier in het kader van die procedures zijn toegezonden formuleert eiser geen inhoudelijke beroepsgronden tegen die besluiten, maar volstaat hij met een verzoek om dwangsommen wegens niet tijdig beslissen aan hem toe te kennen alsmede het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die eiser stelt te hebben gemaakt. Ten aanzien van die handelwijze heeft de bestuursrechter geoordeeld dat die handelwijze duidt op misbruik van recht door eiser (bijv. ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3558).
6. In de voorliggende zaak is dit niet anders. Hoewel verweerder de verzending aan de hand van een deugdelijke verzendadministratie niet aannemelijk heeft kunnen maken, blijkt wel dat het besluit op bezwaar juist is geadresseerd en is voorzien van een verzenddatum. Verder heeft eiser niet gereageerd op de brief van de griffier van 5 maart 2019 waarin hem een termijn van twee weken is geboden om aan te geven of en op welke gronden hij het niet eens is met het besluit op bezwaar. Gelet hierop en op het beroepschrift wil eiser ook met het onderhavige beroep wegens niet tijdig beslissen slechts bereiken dat hem een dwangsom wordt toegekend en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
7. Eiser komt wegens misbruik van recht geen beroep toe op ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen. Eiser is daarmee in verzuim het griffierecht te voldoen, zodat het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb kennelijk niet-ontvankelijk is.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 2 september 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.