Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[Naam], te [Plaats], opposant,
het Drechtstedenbestuurover het besluit van 4 april 2018,
Rechtbank Rotterdam
Opposant heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter vergoeding van het griffierecht in een klachtprocedure bij de Raad voor Discipline. Het Drechtstedenbestuur wees deze aanvraag af, waarna opposant beroep instelde dat door de rechtbank op 14 december 2018 ongegrond werd verklaard. Opposant deed verzet tegen deze uitspraak en wilde worden gehoord op zitting, maar verscheen niet.
De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat opposant misbruik maakt van recht door herhaaldelijk ontheffing van griffierecht te vragen in procedures die kansloos zijn. Dit is onderbouwd met eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep, die het procederen van opposant als misbruik kwalificeren.
De rechtbank constateert dat opposant ongeveer 130 procedures heeft gevoerd, veelal met betrekking tot voogdij en tegen bestuursorganen, met als doel geldsommen te verkrijgen. Ook is vastgesteld dat opposant als procesgemachtigde inkomsten geniet, hetgeen niet is opgegeven bij verzoeken om betalingsonmacht.
Gezien het voorgaande en het ontbreken van aanknopingspunten voor het tegendeel, verklaart de rechtbank het verzet gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Voortaan zal opposant geen voorlopige ontheffing van griffierecht meer worden verleend. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht door opposant.