Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
tegen
Rechtbank Rotterdam
Eiser vordert van Airbnb terugbetaling van €200,18 aan bemiddelingskosten die Airbnb in rekening bracht bij het tot stand komen van een huurovereenkomst voor een vakantiewoning. Hij stelt dat deze kosten onverschuldigd zijn en beroept zich op artikel 7:417 lid 4 BW Pro.
Airbnb voert verweer en stelt dat de zaak niet geschikt is voor behandeling in de Europese geringe vorderingprocedure. De kantonrechter overweegt dat deze procedure bedoeld is voor eenvoudige zaken met een gering financieel belang en dat de vordering van eiser, hoewel financieel gering, inhoudelijk te complex is. Dit blijkt uit de omvangrijke stukken en het belang van de zaak ook voor andere klanten van Airbnb.
Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten, vastgesteld op €500 aan salaris voor de gemachtigden van Airbnb. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiser ook bij hoger beroep aan deze kostenveroordeling moet voldoen.
Uitkomst: De vordering van eiser wordt afgewezen wegens ongeschiktheid voor de Europese geringe vorderingprocedure.