De zaak betreft een geschil tussen een bestuurder en een stichting die hij heeft opgericht, over de afwikkeling van een huurovereenkomst voor een appartement dat de bestuurder mede-eigendom heeft. De stichting gebruikte het appartement als kantoor- en ontvangstruimte en betaalde huur tot 1 juli 2016, waarna de betalingen stopten. De bestuurder vordert betaling van huur over de periode daarna, terwijl de stichting betwist dat er een huurovereenkomst bestond en vordert terugbetaling van vermeend onverschuldigde betalingen en kosten.
De rechtbank oordeelt dat er tot 1 juli 2016 wel degelijk een huurovereenkomst bestond en dat de stichting huur betaalde die niet onredelijk was. Na die datum is er geen huurovereenkomst meer, omdat er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over voortzetting en de stichting niet op de hoogte was van eventuele afspraken. De stichting is daarom niet gebonden aan huurbetalingen na 1 juli 2016.
De vorderingen van de stichting tot terugbetaling van vermeend te veel betaalde kilometervergoedingen en representatiekosten worden eveneens afgewezen, omdat de rechtbank deze kosten redelijk acht en geen sprake is van een verboden uitkering. Gezien het feit dat geen van de vorderingen wordt toegewezen, draagt iedere partij haar eigen proceskosten.