Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord;
- bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en onder 2 ten laste gelegde onttrekking van een lijk aan nasporing;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest;
- toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4.Waardering van het bewijs
Ook toen zij de volgende dag van [naam getuige 2] hoorde dat [naam getuige 1] het slachtoffer had doodgeslagen, hebben zij geen vragen gesteld.
De inhoud van hun verklaringen past, zoals ook door de verdediging naar voren gebracht, weliswaar binnen de (toen) beschikbare onderzoeksresultaten, maar voor een belangrijk deel van de tijdsbesteding van zowel de verdachte als de medeverdachte in de avond van 6 en de vroege ochtend van 7 april 2015 ontbreekt elke inhoudelijke verankering in objectieve bewijsmiddelen. Wat zij in die tijd ieder voor zich en gezamenlijk zouden hebben gedaan, kan dus slechts worden afgeleid uit hun eigen verklaringen.
Een ander deel van de verklaring dat vragen oproept, is dat de verdachte en zijn medeverdachte, na uren gewacht te hebben, [naam getuige 1] vervolgens met de auto naar huis hebben gebracht, terwijl de Mazda voor hen uitrijdt. Geen van beiden heeft op hierover ter zitting gestelde vragen een waarschijnlijk en voorstelbaar antwoord gegeven. Bij een en ander moet overigens nog in ogenschouw worden genomen dat niet is gebleken dat de verdachte en de medeverdachte een goede, vriendschappelijke band hadden met [naam getuige 1] ; de indruk is eerder dat zij hem weinig serieus namen.
stellendat zij al vanaf de eerste dag na de verdwijning van het slachtoffer wisten wie het slachtoffer had gedood en daarbij ook beschikten over allerlei detailinformatie die zich goed zou hebben geleend voor onmiddellijk onderzoek door de politie. Gelet op de gestelde vrees is het niet te begrijpen dat zij hun lezing van de gebeurtenissen niet gedeeld hebben met derden, onder wie hun eigen partners en/of de ouders van het slachtoffer of eventueel de politie, zeker vanaf het moment dat zij de indruk kregen dat zij werden beschouwd als de daders. Uitgaande van een snel en gedegen onderzoek door de politie valt niet in te zien dat derden de verdachte en zijn medeverdachte zouden aanzien voor de plegers van het feit, uitgaande van de juistheid van de stelling dat daaruit zou blijken dat [naam getuige 1] het slachtoffer zou hebben gedood. Nog onbegrijpelijker is dat de verdachte en zijn medeverdachte, aangenomen de juistheid van de door hen genoemde omstandigheden, een (zeer) actieve bijdrage hebben verleend aan het verwijderen van de sporen in de woning waar het feit is gepleegd. Als het feit níet zou worden opgehelderd zouden de “gevaarlijke neven” immers de verdachte en zijn medeverdachte blijven beschouwen als de daders. Opvallend is in dit verband verder nog dat de vriendin van de medeverdachte heeft verklaard dat hij zou vertrekken naar een land waarmee Nederland – naar hij in elk geval aannam – geen rechtshulpverdrag heeft. Ook heeft zij verklaard dat hij samen met zijn broer, de verdachte, naar een Zuid-Amerikaans land zou zijn vertrokken. Dit alles maakt dat ook dit gedeelte van de verklaringen van de verdachte en zijn broer onaannemelijk is.
mogenworden. Daartoe is een beroep gedaan op vaste rechtspraak van de Hoge Raad die op dit punt (onder meer) inhoudt dat als een getuige in een verhoor bij de rechter-commissaris terugkomt op een eerdere tegenover de politie afgelegde belastende verklaring en die verklaring het enige bewijsmiddel is waaruit rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte blijkt, deze persoon als getuige voor de zitting moet worden opgeroepen. Indien dat niet is gebeurd, mag de betreffende verklaring niet worden gebruikt. Een verwijzing naar deze rechtspraak gaat niet op, alleen al omdat zich in onderhavige zaak niet de door de Hoge Raad bedoelde situatie voordoet. Naast [naam getuige 2] hebben ook [naam getuige 1] en [naam getuige 3] belastend over de verdachte en zijn medeverdachte verklaard. Daar komt verder bij dat voor deze verklaringen op punten steun kan worden gevonden in objectieve (telecom- en verkeers)gegevens. Geoordeeld wordt daarom dat het niet oproepen van de getuigen voor de zitting niet in de weg staat aan het gebruik van hun verklaringen.
betrouwbaarheidvan de verklaringen daaraan dan in de weg? De rechtbank heeft, gelet op het wisselende en soms ook tegenstrijdige karakter van -met name- de verklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2] die zij in 2015, 2018 en 2019 hebben afgelegd, de inhoud daarvan met behoedzaamheid beoordeeld. Het tijdstip waarop de verklaringen zijn afgelegd is daarbij een factor van betekenis, maar ook, bijvoorbeeld, de wijze waarop de betreffende verklaring tot stand is gekomen. Hierna wordt ten aanzien van de drie getuigen besproken dat, en waarom, een bepaalde verklaring als bewijsmiddel kan worden gebruikt.
7april 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,
- het lijk van die [naam slachtoffer] (met een auto) te vervoeren, en
- (vervolgens) het lijk van die [naam slachtoffer] achter te laten in het water,
5.Strafbaarheid feiten
2.medeplegen van een lijk wegvoeren, verbergen en wegmaken met het oogmerk om het feit van het overlijden en de oorzaak van het overlijden te verhelen
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
8.Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaar;
€ 4.313,03 (zegge: vierduizenddriehonderdendertien euro en drie cent), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen
€ 4.313,03 (zegge: vierduizenddriehonderdendertien euro en drie cent),vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 4.313,03 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
53 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
€ 3.005,17 (zegge: drieduizendenvijf euro en zeventien cent)aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen
€ 3.005,17 (zegge: drieduizendenvijf euro en zeventien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
40 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;