ECLI:NL:RBROT:2019:7856
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beschikking over het verschoningsrecht van inhouse advocaten bij internationaal bedrijf
In deze strafzaak heeft de rechter-commissaris beoordeeld of bepaalde in beslag genomen gegevens onder het verschoningsrecht van inhouse advocaten vallen. De advocaten zijn werkzaam bij een internationaal opererend bedrijf en zijn in verschillende landen gevestigd. De vraag was of zij als geheimhouders kunnen worden aangemerkt en daarmee aanspraak kunnen maken op het verschoningsrecht.
De rechter-commissaris concludeert dat de advocaten die in Nederland gestationeerd zijn geen professioneel statuut hebben ondertekend dat hun onafhankelijke beroepsuitoefening waarborgt. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke onafhankelijkheid en kunnen zij niet als geheimhouders worden beschouwd. Ook de in het buitenland gestationeerde advocaten kunnen niet als geheimhouders worden aangemerkt vanwege hun organisatorische inbedding en het feit dat het hoofd van het Legal Department deel uitmaakt van het Executive Committee, wat de onafhankelijkheid ondermijnt.
De rechter-commissaris wijst erop dat hoewel deze advocaten zelf geen verschoningsrecht toekomt, de gegevens mogelijk onder een afgeleid verschoningsrecht kunnen vallen indien communicatie met externe advocaten heeft plaatsgevonden. De beslissing tot inbeslagneming wordt aangehouden totdat hierover overleg is geweest. Deze beschikking betreft een belangrijke afweging over de reikwijdte van het verschoningsrecht voor inhouse advocaten binnen een internationale context.
Uitkomst: De rechter-commissaris oordeelt dat de inhouse advocaten geen verschoningsrecht toekomt wegens onvoldoende gewaarborgde onafhankelijkheid.