Conclusie
2.Procesverloop
Onrechtmatig handelen
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt, in de kern genomen, dat het hof zou hebben miskend dat [verweerders] geen belang in de zin van art. 3:303 BW Pro had bij de toewijzing van een enkele verklaring voor recht dat Nationale-Nederlanden c.s. onrechtmatig hebben gehandeld.
Onderdeel 2ziet op de grondslag voor het oordeel dat Nationale-Nederlanden c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door de brief van [betrokkene 1] niet met [verweerders] te delen.
Onderdeel 3klaagt over het oordeel dat Nationale-Nederlanden c.s. geen beroep op een afgeleid verschoningsrecht toekomt.
Subonderdelen 1.1 tot en met 1.3lenen zich voor gezamenlijke bespreking: zij voeren aan dat [verweerders] geen belang had bij een verklaring voor recht dat Nationale-Nederlanden c.s. onrechtmatig hebben gehandeld nu zijn overige vorderingen zijn afgewezen (
subonderdeel 1.1), hij aan de vordering betreffende een verklaring voor recht niets anders ten grondslag heeft gelegd dan aan zijn overige vorderingen (
subonderdeel 1.2) en bovendien de mogelijkheid van een schadestaatprocedure ontbreekt, omdat gezag van gewijsde toekomt aan (de gronden voor) de afwijzing van de overige vorderingen van [verweerders] (
subonderdeel 1.3).
Dominee-arrest uit 1951 en het arrest
AIG/M.uit 2015; wat de tweede ontwikkeling betreft gaat het onder meer om de actuele status van het
Jeffrey-arrest uit 1998. [24]
Dominee-arrest uit 1951 nog terughoudend: [25]
hij alleen dan afzonderlijke vaststelling van deze verbintenis mag vorderen onder voorbehoud van het recht om veroordeling tot schadevergoeding te vorderen, wanneer er bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die aan een veroordeling ondanks het bestaan van een aanspraak vooralsnog in den weg staan maar wenselijk maken, dat hij althans het bestaan van de aanspraak reeds dadelijk door een bindende verklaring van den rechter veilig stelt;” [onderstreping van mij, A-G]
AIG/M.uit 2015 op het
Dominee-arrest teruggekomen. In deze zaak vorderde het slachtoffer van een aanrijding enkel een verklaring voor recht dat de verzekeraar van de betrokken automobilist aansprakelijk was voor de geleden schade. Uw Raad oordeelde als volgt:
X./Dexiawerd gevorderd, waarmee Dexia bevestiging zocht dat zij ten aanzien van de met haar wederpartij gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen had voldaan en derhalve niets meer aan de wederpartij verschuldigd was. [28] Een recent voorbeeld uit de feitenrechtspraak is de verklaring voor recht die door een franchisenemers van Domino’s Pizza werd gevorderd, inhoudend dat zij niet verplicht konden worden om hun restaurants te openen tijdens de lunch. Volgens de rechtbank hadden de franchisenemers belang bij deze vordering, omdat zij hiermee duidelijkheid wilden verkrijgen over de uitleg van hun franchiseovereenkomst. [29]
Jeffrey-arrest oordeelde Uw Raad nog dat onvoldoende belang bestond bij een verklaring voor recht die enkel een ‘zuiver emotioneel belang’ diende, namelijk het belang van de ouders om een zinvol begin te kunnen maken met de verwerking van de dood van hun kind. [30] Deze beslissing is, naar bekend is, kritisch ontvangen. [31] Meer ruimte biedt de beschikking van Uw Raad in
Chipshol/Staatuit 2010 waarin is overwogen dat een verklaring voor recht ‘genoegdoening’ kan bieden voor een schending van het in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ook als kan worden aangenomen dat door die schending verder geen schade is geleden. [32] De beschikking heeft de nodige aandacht getrokken. [33] Mijn indruk is niet dat Uw Raad de deur in deze beschikking wagenwijd heeft opengezet; de beschikking is wellicht, nu het gaat om schending van het EVRM, ingegeven door een bekende lijn uit de rechtspraak van het EHRM (de enkele vaststelling van een schending van het EVRM geeft al genoegdoening (zodat schadevergoeding achterwege kan blijven [34] ). [35] Tegelijkertijd kan ik mij niet voorstellen dat Uw Raad enkel heeft geoordeeld over (genoegdoening bij) schending van fundamentele (EVRM-)rechten en niet ook enige afstand heeft genomen van de
Jeffrey-lijn. Daarom lijkt mij de conclusie gerechtvaardigd dat er, onder meer door de in deze beschikking uitgezette lijn, meer plaats is voor de handhaving van niet-financiële belangen door het aansprakelijkheidsrecht. [36] Een ‘kale’ verklaring voor recht, die als zodanig reeds (enige) genoegdoening geeft, is daarbij één van de voor de hand liggende remedies. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat iedere schending van een niet-financieel belang in aanmerking komt voor sanctionering middels een verklaring voor recht [37] (of door andere remedies zoals smartengeld [38] ). [39]
onderdeel 1. Deze zaak is niet van meet af aan op een verklaring voor recht, dat Nationale-Nederlanden c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, gericht geweest. [verweerders] heeft in deze zaak immers niet enkel deze verklaring voor recht gevorderd, maar onder andere ook een verklaring voor recht dat Nationale Nederlanden c.s. aansprakelijk zijn jegens hem, opheffing van nadeel ex art. 6:230 BW Pro en schadevergoeding, op te maken bij staat (hiervoor randnummer 2.1). Deze vorderingen heeft hij met feiten onderbouwd. Het cassatiemiddel strekt er echter toe dat het hof, toen het tot het oordeel kwam dat deze andere vorderingen moesten worden afgewezen en enkel nog de primaire verklaring voor recht overbleef, [verweerders] in die laatste vordering alsnog niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Chipshol-beschikking (hiervoor voetnoot 32) wel vereist zou zijn voor een ‘kale’ verklaring voor recht. Enkele schending van art. 21 en Pro 22 Rv zou dan ook onvoldoende zijn om een ‘kale’ verklaring voor recht te rechtvaardigen. Wat mij betreft loopt het subonderdeel, wat er verder zij van vraag of genoemde auteurs werkelijk betogen wat hier aan hen wordt toegeschreven, reeds hierop stuk dat het hof zijn oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen niet (enkel) op schending van art. 21 Rv Pro heeft gebaseerd (hierna randnummer 3.23).
onderdeel 1doel mist.
onderdeel 2van het middel. Dit onderdeel bestaat uit een zevental subonderdelen en is gericht tegen het oordeel dat Nationale-Nederlanden c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door de brief van [betrokkene 1] niet over te leggen.
subonderdeel 2.1), [44] een onbegrijpelijk oordeel gegeven (
subonderdeel 2.2), althans miskend dat niet ieder verzuim om feiten aan te voeren een schending van art. 21 Rv Pro oplevert (
subonderdeel 2.4).
Subonderdeel 2.3faalt daarom.
onderdeel 2.
subonderdelen 3.1-3.3), en dat het hof heeft miskend dat de toestemming van [betrokkene 1] om alle correspondentie vrij te geven Nationale-Nederlanden c.s. en/of [betrokkene 2] niet van hun verschoningsrecht ontslaat, mede gezien de omstandigheden waaronder [betrokkene 1] die toestemming heeft gegeven (
subonderdelen 3.4-3.7). Voordat ik deze klachten bespreek, maak ik een enkele opmerking over het verschoningsrecht van de advocaat en de reikwijdte daarvan, over de betekenis van toestemming van een cliënt aan de verschoningsgerechtigde om gegevens vrij te geven, en over de betekenis hiervan voor de onderhavige zaak.
Notaris Maas-beschikking heeft Uw Raad geoordeeld dat het verschoningsrecht niet enkel bestaat in het belang van de individuele cliënt, maar ook in het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking, om bijstand en advies moet kunnen wenden tot de vertrouwenspersonen die volgens de wet tot geheimhouding zijn verplicht. [57] Het verschoningsrecht is echter niet absoluut: er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt — ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd — moet prevaleren boven het verschoningsrecht. [58]
persoon die werkzaamheden verricht voor een verschoningsgerechtigde, maar zelf geen verschoningsrecht toekomt, in die hoedanigheid iets krijgt toevertrouwd dat onder de reikwijdte van het verschoningsrecht van zijn opdrachtgever valt. In zo’n situatie kan deze medewerker mogelijk een beroep doen op een afgeleid verschoningsrecht. Het is dan de verschoningsgerechtigde zelf die beoordeelt of de betreffende gegevens onder de afgeleide bevoegdheid tot verschoning vallen. [59] De term wordt ook wel gebruikt voor de situatie waarin gegevens die aan een verschoningsgerechtigde in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd zich bij
de cliënt(of in geval van het verschoningsrecht van een arts: bij
de patiënt)
zelfbevinden. Ook in dat geval kan het verschoningsrecht van degene aan wie de gegevens in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd voorkomen dat deze gegevens moeten worden verstrekt. [60] Uit de jurisprudentie van Uw Raad over het afgeleid verschoningsrecht vloeit voort, dat het ook in deze situatie aan de advocaat (of in voorkomende gevallen: de arts) is om te bepalen of gegevens onder het verschoningsrecht vallen. [61]
toevertrouwd. Het verschoningsrecht speelt geen rol als gegevens aan een advocaat zijn verstrekt met als doel deze aan een derde mede te delen. In dat geval zijn de gegevens immers niet verstrekt in het vertrouwen dat zij geheim zouden blijven. [64]
Subonderdelen 3.1-3.3klagen dat het hof heeft miskend dat Nationale-Nederlanden c.s. zich op een afgeleid verschoningsrecht konden beroepen, althans dat het hof deze kwestie op grond van de devolutieve werking van het appel had moeten bespreken. Mijns inziens falen deze klachten, omdat het oordeel dat Nationale-Nederlanden c.s. geen afgeleid verschoningsrecht toekomt juist is. Hiervoor (randnummer 3.32) is besproken dat een eventueel afgeleid verschoningsrecht toekomt aan twee groepen personen: de cliënt van de verschoningsgerechtigde advocaat en de medewerkers/opdrachtnemers van die advocaat. Het ligt echter niet voor de hand dat eenieder bij wie zich gegevens bevinden die mogelijk onder het verschoningsrecht van een ander vallen zich zelf op dat (althans een daarvan afgeleid) verschoningsrecht zou kunnen beroepen. Daarvoor bestaat geen wettelijke grondslag. Nationale-Nederlanden c.s. hebben op de genoemde vindplaatsen in de processtukken [72] niet toegelicht waarom daarvan sprake zou zijn. Daarop stranden de klachten.
Subonderdelen 3.4-3.7falen daarom.
onderdeel 3mijns inziens doel missen.