ECLI:NL:RBROT:2019:8560
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen verstekvonnis niet-ontvankelijk wegens overschrijding verzettermijn en daad van bekendheid
In deze zaak stond een verzet tegen een verstekvonnis centraal, waarbij de gedaagde zich verzet tegen een vonnis van 15 september 2004 dat hem veroordeelde tot betaling van een geldbedrag aan Nationale-Nederlanden Bank N.V. (NN). De gedaagde stelde dat hij niet op de hoogte was van het vonnis en dat het verzet daarom tijdig was ingesteld. NN betoogde dat de verzettermijn was verstreken omdat de gedaagde door een daad van bekendheid reeds op de hoogte was.
De rechtbank onderzocht of de gedaagde een daad van bekendheid had verricht, wat inhoudt dat hij een gedraging naar buiten toe heeft verricht waaruit blijkt dat hij bekend was met het vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan. Uit correspondentie tussen de gerechtsdeurwaarder en de advocaat van de gedaagde bleek dat op 4 april 2019 de advocaat van de gedaagde telefonisch contact had met hem over het vonnis, waarna de gedaagde ontkende de lening te hebben afgesloten. Dit leidde tot het oordeel dat de verzettermijn op die datum was aangevangen.
De rechtbank oordeelde dat de verzetdagvaarding van 25 mei 2019 te laat was, omdat de verzettermijn van vier weken na de daad van bekendheid was verstreken. Het beroep van de gedaagde op het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) kon hem niet baten, omdat hij voldoende gelegenheid had gehad om verweer te voeren. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan inhoudelijke behandeling van het geschil en veroordeelde de gedaagde in de kosten van de verzetprocedure.
Het verstekvonnis van 15 september 2004 werd bekrachtigd en het verzet van de gedaagde werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen het verstekvonnis is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzettermijn na een daad van bekendheid.