De rechtbank Rotterdam heeft op 4 november 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de veroordeelde werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betrof opbrengsten uit meervoudige oplichting via Marktplaats. De veroordeelde was reeds veroordeeld voor medeplegen van oplichting.
Tijdens de terechtzittingen in september en november 2019 is vastgesteld dat de veroordeelde een geschat wederrechtelijk voordeel van €6.213,39 heeft verkregen. De rechtbank nam aan dat dit voordeel gemeenschappelijk was met medeverdachten, omdat de veroordeelde geen inzicht gaf in een mogelijke verdeling en er geen concrete aanwijzingen waren. Hierdoor werd hoofdelijkheid vastgesteld.
De rechtbank wees het standpunt van de verdediging af dat het voordeel niet aan de veroordeelde zou zijn toegekomen. Tevens werden de vorderingen van benadeelde partijen niet in mindering gebracht, omdat deze nog niet onherroepelijk waren toegewezen. De betalingsverplichting werd vastgesteld op het volledige bedrag van het geschatte voordeel, dat aan de staat moet worden betaald. Persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde werden meegewogen, maar leidden niet tot vermindering.