ECLI:NL:RBROT:2019:909
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wegens vrijspraak in hoofdzaak
De rechtbank Rotterdam behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €653.815,80, ingesteld door de officier van justitie op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Deze vordering was verbonden aan een strafzaak tegen de betrokkene.
Tijdens de terechtzittingen op 20 april 2018, 28 september 2018 en 23 januari 2019 werd de zaak inhoudelijk behandeld. De officier van justitie verzocht op de zitting van 23 januari 2019 om afwijzing van de ontnemingsvordering, aansluitend op zijn vordering tot integrale vrijspraak in de strafzaak. De verdediging sloot zich hierbij aan.
De rechtbank wees de betrokkene vrij van de ten laste gelegde feiten in de hoofdzaak. Gezien deze vrijspraak oordeelde de rechtbank dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen en wees deze af. Dit vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam op 23 januari 2019.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens vrijspraak in de hoofdzaak.