ECLI:NL:RBROT:2019:937
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wegens vrijspraak in strafzaak
De rechtbank Rotterdam behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie vorderde betaling van een bedrag tot maximaal €653.815,80, gebaseerd op de feiten uit de strafzaak tegen de betrokkene.
Tijdens de terechtzittingen op 20 april 2018, 28 september 2018 en 23 januari 2019 werd de vordering behandeld aansluitend op de strafzaak. De officier van justitie vroeg uiteindelijk om afwijzing van de ontnemingsvordering, aansluitend bij zijn vordering tot integrale vrijspraak van de betrokkene in de strafzaak.
De verdediging steunde dit standpunt. De rechtbank wees de betrokkene vrij van de ten laste gelegde feiten in de strafzaak, zoals blijkt uit het vonnis van 23 januari 2019. Gezien deze vrijspraak oordeelde de rechtbank dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen en wees deze af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam, waarbij de griffier niet mede kon ondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af wegens vrijspraak van de betrokkene in de strafzaak.